1 Korintským
Chapter 1
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

1 Korintským 1

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Pavel, povolaný apoštol Ježíše Krista, skrze vůli Boží, a bratr Sostenes,
1Paulus, apostel van Christus Jesus, geroepen door Gods wil, en broeder Sóstenes:
2Církvi Boží, kteráž jest v Korintu, posvěceným v Kristu Ježíši, povolaným svatým, spolu se všemi, kteříž vzývají jméno Pána našeho Jezukrista na všelikém místě, i jejich i našem:
2aan de Kerk Gods te Korinte, aan hen die geheiligd zijn door Christus Jesus, aan de uitverkoren heiligen, en aan allen die de naam van Jesus Christus aanroepen in iedere plaats, zowel bij hen als bij ons:
3Milost vám a pokoj od Boha Otce našeho a Pána Jezukrista.
3Genade zij u en vrede van God onzen Vader, en van den Heer Jesus Christus.
4Děkuji Bohu svému vždycky za vás pro tu milost Boží, kteráž dána jest vám v Kristu Ježíši,
4Ten allen tijde dank ik God om u voor Gods genade, die u gegeven is in Christus Jesus;
5Že ve všem obohaceni jste v něm, v každém slovu a ve všelikém umění,
5want door Hem zijt gij rijk geworden in ieder opzicht, —in alle woord en in alle kennis
6Jakož svědectví Kristovo upevněno jest mezi vámi,
6in dezelfde mate als de belijdenis van Christus vastheid onder u heeft gekregen.
7Takže nemáte žádného nedostatku ve všeliké milosti, očekávajíce zjevení Pána našeho Jezukrista,
7En zo staat gij in geen enkele genadegave ten achter al de tijd, dat gij de openbaring afwacht van onzen Heer Jesus Christus.
8Kterýžto i utvrdí vás až do konce bez úhony ke dni příští Pána našeho Jezukrista.
8Bovendien zal Deze u vast doen staan ten einde toe, zodat gij onberispelijk zijn zult op de dag van onzen Heer Jesus Christus.
9Věrnýť jest Bůh, skrze něhož povoláni jste k účastenství Syna jeho Jezukrista, Pána našeho.
9God is getrouw; Hij door wien gij geroepen zijt tot de gemeenschap met zijn Zoon, Jesus Christus onzen Heer.
10Prosímť vás pak, bratří, skrze jméno Pána našeho Jezukrista, abyste jednostejně mluvili všickni a aby nebylo mezi vámi roztržek, ale buďte spojeni jednostejnou myslí a jednostejným smyslem.
10Broeders, ik bezweer u uit naam van onzen Heer Jesus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt en dat er onder u geen scheuringen zijn, maar dat gij volkomen één zijt in dezelfde gezindheid en dezelfde overtuiging.
11Nebo oznámeno jest mi o vás, bratří moji, od některých z čeledi Chloe, že by mezi vámi byly různice.
11Want, mijn broeders, door de lieden van Chloë is me over u bekend geworden, dat er twisten onder u zijn.
12Míním pak toto, že jeden každý z vás říká: Já jsem Pavlův, já Apollův, já Petrův, já pak Kristův.
12Ik bedoel dit: Iedereen van u zegt: “Ik ben van Paulus, ik van Apollo, ik van Kefas, ik van Christus.”
13Zdali rozdělen jest Kristus? Zdali Pavel ukřižován jest za vás? Anebo zdali jste ve jménu Pavlovu pokřtěni byli?
13Is Christus soms verdeeld? Of is Paulus soms voor u gekruisigd, of zijt gij in Paulus’ naam gedoopt?
14Děkuji Bohu, že jsem žádného z vás nekřtil, než Krispa a Gáia,
14Ik ben er dankbaar om, dat ik niemand van u gedoopt hebt behalve Krispus en Gajus,
15Aby někdo neřekl, že jsem ve jméno své křtil.
15zodat men niet zeggen kan, dat gij in mijn naam zijt gedoopt.
16Křtilť jsem také i Štěpánovu čeled. Více nevím, abych koho jiného křtil.
16Ook Stéfanas’ familie heb ik nog gedoopt; overigens weet ik niet, dat ik iemand anders gedoopt heb.
17Nebo neposlal mne Kristus křtíti, ale evangelium kázati, ne v moudrosti řeči, aby nebyl vyprázdněn kříž Kristův.
17Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen: niet met wijsheid van woorden, opdat het Kruis van Christus zijn betekenis niet zou verliezen.
18Nebo slovo kříže těm, kteříž hynou, bláznovstvím jest, ale nám, kteříž spasení dosahujeme, moc Boží jest.
18Immers de prediking van het Kruis is wel een dwaasheid voor hen, die verloren gaan, maar voor ons, die behouden worden, is ze een kracht Gods.
19Nebo psáno jest: Zahladím moudrost moudrých, a opatrnost opatrných zavrhu.
19Want er staat geschreven: “Ik zal de wijsheid der wijzen verdelgen, En het beleid der verstandigen te niet doen.”
20Kde jest moudrý? A kde učený? A kde chytrák tohoto světa? Zdaliž Bůh neobrátil moudrosti tohoto světa v bláznovství?
20Waar is de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister dezer wereld? Heeft God de wijsheid dezer wereld niet dwaas gemaakt?
21Nebo když v moudrosti Boží svět nepoznal skrze moudrost Boha, zalíbilo se Bohu skrze bláznové kázaní spasiti věřící,
21Want daar volgens het bestel van Gods wijsheid de wereld niet door de wijsheid tot de kennis van God is gekomen, zo heeft het God behaagd, de gelovigen zalig te maken door de dwaasheid der prediking.
22Poněvadž i Židé zázraků žádají, i Řekové hledají moudrosti.
22Terwijl de Joden tekenen eisen, en de Grieken wijsheid zoeken,
23Myť pak kážeme Krista ukřižovaného, Židům zajisté pohoršení, a Řekům bláznovství,
23preken wij Christus gekruisigd, voor de Joden een ergernis en voor de heidenen een dwaasheid,
24Ale povolaným, i Židům i Řekům, Krista, Boží moc a Boží moudrost.
24maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, een Christus, Gods kracht en Gods wijsheid.
25Nebo to bláznovství Boží jest moudřejší nežli lidé a mdloba Boží jest silnější než lidé.
25Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen, en het zwakke van God is krachtiger dan de mensen.
26Vidíte zajisté povolání vaše, bratří, že nemnozí moudří podle těla, nemnozí mocní, nemnozí urození;
26Inderdaad, broeders, denkt eens aan uw eigen roeping terug; niet velen waren wijzen naar het vlees, niet velen machtig, niet velen aanzienlijk.
27Ale což bláznivého jest u světa, to sobě vyvolil Bůh, aby zahanbil moudré, a to, což jest u světa mdlé, Bůh vyvolil, aby zahanbil silné.
27Neen, het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, om de wijzen beschaamd te maken; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, om het sterke te beschamen;
28A neurozené u světa a za nic položené vyvolil Bůh, ano hned, kteréž nejsou, aby ty věci, kteréž jsou, zkazil,
28en het onaanzienlijke der wereld en het onbeduidende heeft God uitverkoren: alles wat niets is, om te niet te doen, wat iets is,
29Proto aby se nechlubilo před obličejem jeho žádné tělo.
29opdat geen vlees zou roemen voor God.
30Vy pak jste z něho v Kristu Ježíši, kterýž učiněn jest nám moudrost od Boha, i spravedlnost, i posvěcení, i #vykoupení,
30Door Hem toch behoort gij aan Christus Jesus, die ons door God geworden is: Wijsheid, Gerechtigheid, Heiliging en Verlossing;
31Aby se tak dálo, jakož jest napsáno: Kdo se chlubí, v Pánu se chlub.
31opdat gelijk geschreven staat: “Hij die roemt, Roeme in den Heer.”

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.