1 Corintios 1
Reina-Valera 1909Translation
Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1PABLO, llamado á ser apóstol de Jesucristo por la voluntad de Dios, y Sóstenes el hermano,
1Paulus, apostel van Christus Jesus, geroepen door Gods wil, en broeder Sóstenes:
2A la iglesia de Dios que está en Corinto, santificados en Cristo Jesús, llamados santos, y á todos los que invocan el nombre de nuestro Señor Jesucristo en cualquier lugar, Señor de ellos y nuestro:
2aan de Kerk Gods te Korinte, aan hen die geheiligd zijn door Christus Jesus, aan de uitverkoren heiligen, en aan allen die de naam van Jesus Christus aanroepen in iedere plaats, zowel bij hen als bij ons:
3Gracia y paz de Dios nuestro Padre, y del Señor Jesucristo.
3Genade zij u en vrede van God onzen Vader, en van den Heer Jesus Christus.
4Gracias doy á mi Dios siempre por vosotros, por la gracia de Dios que os es dada en Cristo Jesús;
4Ten allen tijde dank ik God om u voor Gods genade, die u gegeven is in Christus Jesus;
5Que en todas las cosas sois enriquecidos en él, en toda lengua y en toda ciencia;
5want door Hem zijt gij rijk geworden in ieder opzicht, —in alle woord en in alle kennis
6Así como el testimonio de Cristo ha sido confirmado en vosotros:
6in dezelfde mate als de belijdenis van Christus vastheid onder u heeft gekregen.
7De tal manera que nada os falte en ningún don, esperando la manifestación de nuestro Señor Jesucristo:
7En zo staat gij in geen enkele genadegave ten achter al de tijd, dat gij de openbaring afwacht van onzen Heer Jesus Christus.
8El cual también os confirmará hasta el fin, para que seáis sin falta en el día de nuestro Señor Jesucristo.
8Bovendien zal Deze u vast doen staan ten einde toe, zodat gij onberispelijk zijn zult op de dag van onzen Heer Jesus Christus.
9Fiel es Dios, por el cual sois llamados á la participación de su Hijo Jesucristo nuestro Señor.
9God is getrouw; Hij door wien gij geroepen zijt tot de gemeenschap met zijn Zoon, Jesus Christus onzen Heer.
10Os ruego pues, hermanos, por el nombre de nuestro Señor Jesucristo, que habléis todos una misma cosa, y que no haya entre vosotros disensiones, antes seáis perfectamente unidos en una misma mente y en un mismo parecer.
10Broeders, ik bezweer u uit naam van onzen Heer Jesus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt en dat er onder u geen scheuringen zijn, maar dat gij volkomen één zijt in dezelfde gezindheid en dezelfde overtuiging.
11Porque me ha sido declarado de vosotros, hermanos míos, por los que son de Cloé, que hay entre vosotros contiendas;
11Want, mijn broeders, door de lieden van Chloë is me over u bekend geworden, dat er twisten onder u zijn.
12Quiero decir, que cada uno de vosotros dice: Yo cierto soy de Pablo; pues yo de Apolos; y yo de Cefas; y yo de Cristo.
12Ik bedoel dit: Iedereen van u zegt: “Ik ben van Paulus, ik van Apollo, ik van Kefas, ik van Christus.”
13¿Está dividido Cristo? ¿Fué crucificado Pablo por vosotros? ¿ó habéis sido bautizados en el nombre de Pablo?
13Is Christus soms verdeeld? Of is Paulus soms voor u gekruisigd, of zijt gij in Paulus’ naam gedoopt?
14Doy gracias á Dios, que á ninguno de vosotros he bautizado, sino á Crispo y á Gayo;
14Ik ben er dankbaar om, dat ik niemand van u gedoopt hebt behalve Krispus en Gajus,
15Para que ninguno diga que habéis sido bautizados en mi nombre.
15zodat men niet zeggen kan, dat gij in mijn naam zijt gedoopt.
16Y también bauticé la familia de Estéfanas: mas no sé si he bautizado algún otro.
16Ook Stéfanas’ familie heb ik nog gedoopt; overigens weet ik niet, dat ik iemand anders gedoopt heb.
17Porque no me envió Cristo á bautizar, sino á predicar el evangelio: no en sabiduría de palabras, porque no sea hecha vana la cruz de Cristo.
17Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen: niet met wijsheid van woorden, opdat het Kruis van Christus zijn betekenis niet zou verliezen.
18Porque la palabra de la cruz es locura á los que se pierden; mas á los que se salvan, es á saber , á nosotros, es potencia de Dios.
18Immers de prediking van het Kruis is wel een dwaasheid voor hen, die verloren gaan, maar voor ons, die behouden worden, is ze een kracht Gods.
19Porque está escrito: Destruiré la sabiduría de los sabios, y desecharé la inteligencia de los entendidos.
19Want er staat geschreven: “Ik zal de wijsheid der wijzen verdelgen, En het beleid der verstandigen te niet doen.”
20¿Qué es del sabio? ¿qué del escriba? ¿qué del escudriñador de este siglo? ¿no ha enloquecido Dios la sabiduría del mundo?
20Waar is de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister dezer wereld? Heeft God de wijsheid dezer wereld niet dwaas gemaakt?
21Porque por no haber el mundo conocido en la sabiduría de Dios á Dios por sabiduría, agradó á Dios salvar á los creyentes por la locura de la predicación.
21Want daar volgens het bestel van Gods wijsheid de wereld niet door de wijsheid tot de kennis van God is gekomen, zo heeft het God behaagd, de gelovigen zalig te maken door de dwaasheid der prediking.
22Porque los Judíos piden señales, y los Griegos buscan sabiduría:
22Terwijl de Joden tekenen eisen, en de Grieken wijsheid zoeken,
23Mas nosotros predicamos á Cristo crucificado, á los Judíos ciertamente tropezadero, y á los Gentiles locura;
23preken wij Christus gekruisigd, voor de Joden een ergernis en voor de heidenen een dwaasheid,
24Empero á los llamados, así Judíos como Griegos, Cristo potencia de Dios, y sabiduría de Dios.
24maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, een Christus, Gods kracht en Gods wijsheid.
25Porque lo loco de Dios es más sabio que los hombres; y lo flaco de Dios es más fuerte que los hombres.
25Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen, en het zwakke van God is krachtiger dan de mensen.
26Porque mirad, hermanos, vuestra vocación, que no sois muchos sabios según la carne, no muchos poderosos, no muchos nobles;
26Inderdaad, broeders, denkt eens aan uw eigen roeping terug; niet velen waren wijzen naar het vlees, niet velen machtig, niet velen aanzienlijk.
27Antes lo necio del mundo escogió Dios, para avergonzar á los sabios; y lo flaco del mundo escogió Dios, para avergonzar lo fuerte;
27Neen, het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, om de wijzen beschaamd te maken; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, om het sterke te beschamen;
28Y lo vil del mundo y lo menospreciado escogió Dios, y lo que no es, para deshacer lo que es:
28en het onaanzienlijke der wereld en het onbeduidende heeft God uitverkoren: alles wat niets is, om te niet te doen, wat iets is,
29Para que ninguna carne se jacte en su presencia.
29opdat geen vlees zou roemen voor God.
30Mas de él sois vosotros en Cristo Jesús, el cual nos ha sido hecho por Dios sabiduría, y justificación, y santificación, y redención:
30Door Hem toch behoort gij aan Christus Jesus, die ons door God geworden is: Wijsheid, Gerechtigheid, Heiliging en Verlossing;
31Para que, como está escrito: El que se gloría, gloríese en el Señor.
31opdat gelijk geschreven staat: “Hij die roemt, Roeme in den Heer.”
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.