1 Corintios
Chapter 11
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

1 Corintios 11

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1SED imitadores de mí, así como yo de Cristo.
1Weest mijn navolgers, zoals ik het ben van Christus!
2Y os alabo, hermanos, que en todo os acordáis de mí, y retenéis las instrucciones mías , de la manera que os enseñé.
2Ik prijs u, omdat gij bij allerlei zaken aan mij denkt, en vasthoudt aan de voorschriften, die ik u gegeven heb.
3Mas quiero que sepáis, que Cristo es la cabeza de todo varón; y el varón es la cabeza de la mujer; y Dios la cabeza de Cristo.
3Welnu, ik wil, dat gij wèl bedenkt: het hoofd van iederen man is Christus; het hoofd van de vrouw is de man; het hoofd van Christus is God.
4Todo varón que ora ó profetiza cubierta la cabeza, afrenta su cabeza.
4Iedere man, die bidt of profeteert met bedekt hoofd, doet zijn hoofd schande aan.
5Mas toda mujer que ora ó profetiza no cubierta su cabeza, afrenta su cabeza; porque lo mismo es que si se rayese.
5Iedere vrouw daarentegen, die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan; want dat is juist hetzelfde, als deed ze het met geschoren hoofd.
6Porque si la mujer no se cubre, trasquílese también: y si es deshonesto á la mujer trasquilarse ó raerse, cúbrase.
6Ja, zo een vrouw zich niet bedekken wil, dan moet ze zich ook maar de haren doen knippen; en zo het voor een vrouw een schande is, zich kaal te laten knippen of scheren, dan moet ze zich ook maar bedekken.
7Porque el varón no ha de cubrir la cabeza, porque es imagen y gloria de Dios: mas la mujer es gloria del varón.
7De man moet zijn hoofd niet bedekken, daar hij het evenbeeld is en de glorie van God; maar de vrouw is de glorie van den man.
8Porque el varón no es de la mujer, sino la mujer del varón.
8Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw is uit den man;
9Porque tampoco el varón fué criado por causa de la mujer, sino la mujer por causa del varón.
9en de man is niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man.
10Por lo cual, la mujer debe tener señal de potestad sobre su cabeza, por causa de los ángeles.
10En daarom moet de vrouw een macht over haar hoofd behouden ter wille der engelen.
11Mas ni el varón sin la mujer, ni la mujer sin el varón, en el Señor.
11Toch blijft het waar: naar ‘s Heren plan is een vrouw er niet zonder man, maar ook is een man er niet zonder vrouw.
12Porque como la mujer es del varón, así también el varón es por la mujer: empero todo de Dios.
12Want zoals de vrouw uit den man is ontstaan, zo ontstaat ook weer de man door de vrouw; en dit alles naar Gods beschikking.
13Juzgad vosotros mismos: ¿es honesto orar la mujer á Dios no cubierta?
13Oordeelt nu zelf: Is het betamelijk, dat een vrouw bidt met onbedekt hoofd?
14La misma naturaleza ¿no os enseña que al hombre sea deshonesto criar cabello?
14Leert toch de natuur zelf u niet, dat het voor den man een schande is, lang haar te dragen;
15Por el contrario, á la mujer criar el cabello le es honroso; porque en lugar de velo le es dado el cabello.
15terwijl het voor de vrouw een eer is, wanneer ze lang haar draagt; want de haardos is haar gegeven bij wijze van sluier.
16Con todo eso, si alguno parece ser contencioso, nosotros no tenemos tal costumbre, ni las iglesias de Dios.
16En zo iemand nog andere bewijzen verlangt: wij hebben zulke gebruiken niet, en de gemeenten Gods evenmin.
17Esto empero os denuncio, que no alabo, que no por mejor sino por peor os juntáis.
17Bij de nu volgende vermaning kan ik u niet prijzen. Want gij komt niet samen tot uw heil, maar tot uw onheil.
18Porque lo primero, cuando os juntáis en la iglesia, oigo que hay entre vosotros disensiones; y en parte lo creo.
18Vooreerst toch hoor ik, dat er bij uw bijeenkomsten in de kerk verdeeldheid onder u heerst; en gedeeltelijk geloof ik dit ook.
19Porque preciso es que haya entre vosotros aun herejías, para que los que son probados se manifiesten entre vosotros.
19Want het is nodig, dat er scheuringen onder u zijn, wil het blijken, wie onder u standvastig is.
20Cuando pues os juntáis en uno, esto no es comer la cena del Señor:
20Wanneer gij bijeen komt, dan is dat geen nuttigen van de Maaltijd des Heren.
21Porque cada uno toma antes para comer su propia cena; y el uno tiene hambre, y el otro está embriagado.
21Want iedereen begint zijn eigen maal vooruit te eten; en zó is de een hongerig, de ander over-verzadigd.
22Pues qué, ¿no tenéis casas en que comáis y bebáis? ¿ó menospreciáis la iglesia de Dios, y avergonzáis á los que no tienen? ¿Qué os diré? ¿os alabaré? En esto no os alabo.
22Hebt gij dan geen huizen, om te eten en te drinken? Of durft gij de kerk van God verachten, en hen die niets bezitten, vernederen? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? Op dit punt prijs ik u zeker niet.
23Porque yo recibí del Señor lo que también os he enseñado: Que el Señor Jesús, la noche que fué entregado, tomó pan;
23Want ik zelf heb van den Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgeleverd; dat de Heer Jesus in de nacht, dat Hij verraden werd, brood nam,
24Y habiendo dado gracias, lo partió, y dijo: Tomad, comed: esto es mi cuerpo que por vosotros es partido: haced esto en memoria de mí.
24een dankzegging sprak, het brak en zeide: “Dit is mijn Lichaam, dat voor u wordt overgeleverd. Doet dit tot mijn gedachtenis.”
25Asimismo tomó también la copa, después de haber cenado, diciendo: Esta copa es el nuevo pacto en mi sangre: haced esto todas las veces que bebiereis, en memoria de mí.
25Zo ook na de maaltijd de kelk, zeggende: “Deze kelk is het nieuwe Verbond in mijn Bloed. Doet dit, zo dikwijls gij drinkt, tot mijn gedachtenis.”
26Porque todas las veces que comiereis este pan, y bebiereis esta copa, la muerte del Señor anunciáis hasta que venga.
26Welnu, zo dikwijls gij dit brood eet en de kelk drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt.
27De manera que, cualquiera que comiere este pan ó bebiere esta copa del Señor indignamente, será culpado del cuerpo y de la sangre del Señor.
27Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de kelk des Heren drinkt, bezondigt zich aan het Lichaam en Bloed des Heren.
28Por tanto, pruébese cada uno á sí mismo, y coma así de aquel pan, y beba de aquella copa.
28Laat dus een ieder zichzelf onderzoeken, en dan eerst eten van het brood en drinken van de kelk.
29Porque el que come y bebe indignamente, juicio come y bebe para sí, no discerniendo el cuerpo del Señor.
29Want wie eet en drinkt, eet en drinkt zich een oordeel, zo hij het Lichaam niet naar waarde beoordeelt.
30Por lo cual hay muchos enfermos y debilitados entre vosotros; y muchos duermen.
30Daarom zijn er onder u zoveel zwakken en zieken, en zijn er zovelen ontslapen.
31Que si nos examinásemos á nosotros mismos, cierto no seríamos juzgados.
31Zo we onszelf naar waarheid hadden beoordeeld, zouden we niet geoordeeld worden.
32Mas siendo juzgados, somos castigados del Señor, para que no seamos condenados con el mundo.
32Welnu, als we door den Heer worden gèoordeeld, dan is dat voor ons een les, om niet met de wereld vèroordeeld te worden.
33Así, que, hermanos míos, cuando os juntáis á comer, esperaos unos á otros.
33En daarom, mijn broeders, wanneer gij bijeenkomt om te eten, blijft dan op elkander wachten.
34Si alguno tuviere hambre, coma en su casa, porque no os juntéis para juicio. Las demás cosas ordenaré cuando llegare.
34Zo iemand honger heeft, dan moet hij thuis maar eten. Anders komt gij tot uw oordeel bijeen. De andere zaken zal ik wel regelen, wanneer ik kom.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.