Juan 1
Reina-Valera 1909Translation
Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1EN el principio era el Verbo, y el Verbo era con Dios, y el Verbo era Dios.
1In het begin was het Woord; En het Woord was bij God, En het Woord was God;
2Este era en el principio con Dios.
2Het was bij God in het begin.
3Todas las cosas por él fueron hechas; y sin él nada de lo que es hecho, fué hecho.
3Alles is door Hem ontstaan; En zonder Hem is niets ontstaan.
4En él estaba la vida, y la vida era la luz de los hombres.
4In wat bestond, was Hij het leven, En het Leven was het licht der mensen;
5Y la luz en las tinieblas resplandece; mas las tinieblas no la comprendieron.
5Het Licht schijnt in de duisternis, Maar de duisternis nam het niet aan.
6Fué un hombre enviado de Dios, el cual se llamaba Juan.
6Er kwam een mens, van God gezonden; Johannes was zijn naam.
7Este vino por testimonio, para que diese testimonio de la luz, para que todos creyesen por él.
7Hij kwam tot getuigenis, om van het Licht te getuigen, Opdat allen door hem zouden geloven.
8No era él la luz, sino para que diese testimonio de la luz.
8Hijzelf was niet het Licht, Maar hij moest getuigen van het Licht.
9Aquél era la luz verdadera, que alumbra á todo hombre que viene á este mundo.
9Het waarachtige Licht, Dat alle mensen verlicht, Kwam in de wereld.
10En el mundo estaba, y el mundo fué hecho por él; y el mundo no le conoció.
10Hij was in de wereld, En ofschoon de wereld door Hem was ontstaan, Erkende de wereld Hem niet.
11A lo suyo vino, y los suyos no le recibieron.
11Hij kwam in zijn eigen bezit; Ook de zijnen ontvingen Hem niet.
12Mas á todos los que le recibieron, dióles potestad de ser hechos hijos de Dios, á los que creen en su nombre:
12Maar aan allen, die Hem ontvingen, Gaf Hij de macht, Gods kinderen te worden: Aan allen, die in zijn Naam geloven,
13Los cuales no son engendrados de sangre, ni de voluntad de carne, ni de voluntad de varón, mas de Dios.
13Die niet uit bloed, Noch uit de wil van vlees of man, Maar die uit God zijn geboren.
14Y aquel Verbo fué hecho carne, y habitó entre nosotros (y vimos su gloria, gloria como del unigénito del Padre), lleno de gracia y de verdad.
14Het Woord is vlees geworden, En heeft onder ons gewoond! En wij hebben zijn glorie aanschouwd: Een glorie als van den Eengeborene uit den Vader, Vol van genade en waarheid.
15Juan dió testimonio de él, y clamó diciendo: Este es del que yo decía: El que viene tras mí, es antes de mí: porque es primero que yo.
15Johannes getuigde van Hem en riep uit: Van Hem was het, dat ik sprak: Die na mij komt, is mij voorafgegaan; Want Hij bestond eerder dan ik.
16Porque de su plenitud tomamos todos, y gracia por gracia.
16Waarachtig, uit zijn volheid ontvingen wij allen De éne genade na de andere;
17Porque la ley por Moisés fué dada: mas la gracia y la verdad por Jesucristo fué hecha.
17Zeker, de Wet is door Moses gegeven, Maar de genade en waarheid zijn door Jesus Christus gekomen.
18A Dios nadie le vió jamás: el unigénito Hijo, que está en el seno del Padre, él le declaró.
18Niemand heeft ooit God gezien; God zelf, de eengeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is, Heeft Hem verkondigd.
19Y éste es el testimonio de Juan, cuando los Judíos enviaron de Jerusalem sacerdotes y Levitas, que le preguntasen: ¿Tú, quién eres?
19En dit is de getuigenis van Johannes, toen de Joden uit Jerusalem priesters en levieten tot hem zonden, om hem te vragen: Wie zijt gij?
20Y confesó, y no negó; mas declaró: No soy yo el Cristo.
20Hij erkende het openlijk: Niet ik ben de Christus.
21Y le preguntaron: ¿Qué pues? ¿Eres tú Elías? Dijo: No soy. ¿Eres tú el profeta? Y respondió: No.
21Ze vroegen hem: Wat dan? Zijt gij Elias? Hij zeide: Ik ben het niet. Zijt gij de profeet? Hij antwoordde: Neen.
22Dijéronle: ¿Pues quién eres? para que demos respuesta á los que nos enviaron. ¿Qué dices de ti mismo?
22Ze zeiden hem dan: Wie zijt ge; opdat we antwoord brengen aan hen, die ons gezonden hebben; wat zegt ge van uzelf?
23Dijo: Yo soy la voz del que clama en el desierto: Enderezad el camino del Señor, como dijo Isaías profeta.
23Hij sprak: Ik ben de “stem van een roepende in de woestijn: Maakt recht de weg des Heren”, zoals de profeet Isaias heeft gezegd.
24Y los que habían sido enviados eran de los Fariseos.
24De afgevaardigden nu behoorden tot de farizeën;
25Y preguntáronle, y dijéronle: ¿Por qué pues bautizas, si tú no eres el Cristo, ni Elías, ni el profeta?
25ze ondervroegen hem, en zeiden: Waarom doopt ge dan, zo ge de Christus niet zijt, noch Elias, noch de profeet?
26Y Juan les respondió, diciendo: Yo bautizo con agua; mas en medio de vosotros ha estado á quien vosotros no conocéis.
26Johannes gaf hun ten antwoord: Ik doop met water; maar midden onder u staat Hij, dien gij niet kent.
27Este es el que ha de venir tras mí, el cual es antes de mí: del cual yo no soy digno de desatar la correa del zapato.
27Hij is het, die na mij komt; ik ben niet waardig, zijn schoenriem los te maken.
28Estas cosas acontecieron en Betábara, de la otra parte del Jordán, donde Juan bautizaba.
28Dit gebeurde te Betánië, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes toen doopte.
29El siguiente día ve Juan á Jesús que venía á él, y dice: He aquí el Cordero de Dios, que quita el pecado del mundo.
29Daags daarna zag hij Jesus tot zich komen; en hij zeide: Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.
30Este es del que dije: Tras mí viene un varón, el cual es antes de mí: porque era primero que yo.
30Deze is het, van wien ik sprak: Na mij komt een Man, die mij is voorafgegaan; want Hij bestond eerder dan ik.
31Y yo no le conocía; más para que fuese manifestado á Israel, por eso vine yo bautizando con agua.
31Ook ik kende Hem niet; maar juist daarom kwam ik dopen met water, om Hem aan Israël bekend te maken.
32Y Juan dió testimonio, diciendo: Vi al Espíritu que descendía del cielo como paloma, y reposó sobre él.
32Nog getuigde Johannes: Ik heb den Geest als een duif uit de hemel zien dalen, en op Hem rusten.
33Y yo no le conocía; mas el que me envió á bautizar con agua, aquél me dijo: Sobre quien vieres descender el Espíritu, y que reposa sobre él, éste es el que bautiza con Espíritu Santo.
33Ook ik kende Hem niet; maar Hij die mij zond, om met water te dopen, Hij sprak tot mij: Op wien ge den Geest ziet nederdalen en rusten, Hij is het, die doopt met den Heiligen Geest.
34Y yo le vi, y he dado testimonio que éste es el Hijo de Dios.
34Ik heb het gezien, en ik heb getuigd: Hij is de Zoon van God.
35El siguiente día otra vez estaba Juan, y dos de sus discípulos.
35Daags daarna stond Johannes daar weer met twee zijner leerlingen.
36Y mirando á Jesús que andaba por allí , dijo: He aquí el Cordero de Dios.
36En met de blik op Jesus, die voorbijging, zeide hij: Zie het Lam Gods.
37Y oyéronle los dos discípulos hablar, y siguieron á Jesús.
37De twee leerlingen hoorden hem dit zeggen, en gingen Jesus achterna.
38Y volviéndose Jesús, y viéndolos seguir le , díceles: ¿Qué buscáis? Y ellos le dijeron: Rabbí (que declarado quiere decir Maestro) ¿dónde moras?
38Jesus keerde Zich om, zag dat ze Hem volgden, en sprak tot hen: Wat zoekt gij? Ze zeiden Hem: Rabbi (dat betekent: Meester), waar houdt Gij verblijf?
39Díceles: Venid y ved. Vinieron, y vieron donde moraba, y quedáronse con él aquel día: porque era como la hora de las diez.
39Hij zei hun: Komt het zien. Ze kwamen dan zien, waar Hij verblijf hield, en bleven die dag bij Hem. Het was omtrent het tiende uur.
40Era Andrés, hermano de Simón Pedro, uno de los dos que habían oído de Juan, y le habían seguido.
40Andreas, de broer van Simon Petrus, was één van de twee, die dit van Johannes hadden gehoord, en Hem waren gevolgd.
41Este halló primero á su hermano Simón, y díjole: Hemos hallado al Mesías (que declarado es, el Cristo).
41Hij ontmoette zijn broer Simon het eerst, en zeide tot hem: We hebben den Messias (dat betekent: Christus) gevonden.
42Y le trajo á Jesús. Y mirándole Jesús, dijo: Tú eres Simón, hijo de Jonás: tú serás llamado Cephas (que quiere decir, Piedra).
42En hij leidde hem tot Jesus. Jesus zag hem aan, en sprak: Gij zijt Simon, de zoon van Jona; gij zult Kefas heten (dat betekent: Petrus).
43El siguiente día quiso Jesús ir á Galilea, y halla á Felipe, al cual dijo: Sígueme.
43Daags daarna wilde Hij naar Galilea vertrekken; toen ontmoette Hij Filippus. En Jesus zeide tot hem: Volg Mij.
44Y era Felipe de Bethsaida, la ciudad de Andrés y de Pedro.
44Filippus was van Betsáida, de stad van Andreas en Petrus.
45Felipe halló á Natanael, y dícele: Hemos hallado á aquel de quien escribió Moisés en la ley, y los profetas: á Jesús, el hijo de José, de Nazaret.
45Filippus ontmoette Natánaël, en sprak tot hem: Van wien Moses in de Wet en ook de profeten hebben geschreven, dien hebben we gevonden: Jesus, den zoon van Josef, uit Názaret.
46Y díjole Natanael: ¿De Nazaret puede haber algo de bueno? Dícele Felipe: Ven y ve.
46Natánaël zei hem: Kan er iets goeds komen uit Názaret? Filippus zei hem: Kom het zien.
47Jesús vió venir á sí á Natanael, y dijo de él: He aquí un verdadero Israelita, en el cual no hay engaño.
47Jesus zag Natánaël naar Zich toe komen, en zeide van hem: Ziedaar een waar Israëliet, in wien geen bedrog is.
48Dícele Natanael: ¿De dónde me conoces? Respondió Jesús, y díjole: Antes que Felipe te llamara, cuando estabas debajo de la higuera te vi.
48Natánaël zeide Hem: Hoe kent Gij mij? Jesus gaf hem ten antwoord: Voordat Filippus u riep, zag Ik u onder de vijgeboom.
49Respondió Natanael, y díjole: Rabbí, tú eres el Hijo de Dios; tú eres el Rey de Israel.
49Natánaël antwoordde Hem: Rabbi, Gij zijt de Zoon van God; Gij zijt de Koning van Israël.
50Respondió Jesús y díjole: ¿Porque te dije, te vi debajo de la higuera, crees? cosas mayores que éstas verás.
50Jesus antwoordde hem: Gelooft ge, omdat Ik u zeide: Ik zag u onder de vijgeboom? Grotere dingen zult ge zien.
51Y dícele: De cierto, de cierto os digo: De aquí adelante veréis el cielo abierto, y los ángeles de Dios que suben y descienden sobre el Hijo del hombre.
51En Hij sprak tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Gij zult de hemel geopend zien, en de engelen Gods zien opstijgen en nederdalen over den Mensenzoon.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.