Juan 10
Reina-Valera 1909Translation
Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1DE cierto, de cierto os digo: El que no entra por la puerta en el corral de las ovejas, mas sube por otra parte, el tal es ladrón y robador.
1Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie niet door de deur de schaapstal binnengaat, maar langs een andere zijde binnenklimt, hij is een dief en een rover.
2Mas el que entra por la puerta, el pastor de las ovejas es.
2Maar die binnenkomt door de deur, is de herder der schapen.
3A éste abre el portero, y las ovejas oyen su voz: y á sus ovejas llama por nombre, y las saca.
3De wachter doet hem open, en de schapen luisteren naar zijn stem; hij roept zijn eigen schapen bij hun naam, en voert ze naar buiten.
4Y como ha sacado fuera todas las propias, va delante de ellas; y las ovejas le siguen, porque conocen su voz.
4En als hij al zijn schapen heeft uitgedreven, gaat hij voor hen uit; en de schapen volgen hem, want ze kennen zijn stem.
5Mas al extraño no seguirán, antes huirán de él: porque no conocen la voz de los extraños.
5Maar een vreemdeling zullen ze niet volgen, eerder ontvluchten; want de stem van vreemden kennen ze niet.
6Esta parábola les dijo Jesús; mas ellos no entendieron qué era lo que les decía.
6Deze gelijkenis sprak Jesus hun toe; maar ze begrepen niet, waarover Hij hun eigenlijk sprak.
7Volvióles, pues, Jesús á decir: De cierto, de cierto os digo: Yo soy la puerta de las ovejas.
7Daarom zei Jesus opnieuw: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen.
8Todos los que antes de mí vinieron, ladrones son y robadores; mas no los oyeron las ovejas.
8Alle anderen, die Mij zijn voorafgegaan, waren dieven en rovers; maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd.
9Yo soy la puerta: el que por mí entrare, será salvo; y entrará, y saldrá, y hallará pastos.
9Ik ben de deur: zo iemand door Mij binnentreedt, zal hij veilig zijn, in- en uitgaan, en weiland vinden.
10El ladrón no viene sino para hurtar, y matar, y destruir: yo he venido para que tengan vida, y para que la tengan en abundancia.
10De dief komt alleen om te stelen, te slachten en te verderven; Ik ben gekomen, opdat ze leven en overvloed hebben.
11Yo soy el buen pastor: el buen pastor su vida da por las ovejas.
11Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor de schapen.
12Mas el asalariado, y que no es el pastor, de quien no son propias las ovejas, ve al lobo que viene, y deja las ovejas, y huye, y el lobo las arrebata, y esparce las ovejas.
12Maar de huurling, die de herder niet is, en wien de schapen niet toebehoren, hij laat de schapen in de steek en slaat op de vlucht, zodra hij den wolf ziet komen; en de wolf rooft en verstrooit ze.
13Así que, el asalariado, huye, porque es asalariado, y no tiene cuidado de las ovejas.
13Want hij is een huurling, en hij heeft geen hart voor de schapen.
14Yo soy el buen pastor; y conozco mis ovejas , y las mías me conocen.
14Ik ben de goede herder; Ik ken de mijnen, en de mijnen kennen Mij,
15Como el Padre me conoce, y yo conozco al Padre; y pongo mi vida por las ovejas.
15zoals de Vader Mij kent, en Ik den Vader ken. En Ik geef mijn leven voor de schapen.
16También tengo otras ovejas que no son de este redil; aquéllas también me conviene traer, y oirán mi voz; y habrá un rebaño, y un pastor.
16Ik heb ook nog andere schapen, die niet uit deze schaapstal zijn. Ook hen moet Ik leiden, en ze zullen luisteren naar mijn stem; dan zal het worden: één kudde, één herder.
17Por eso me ama el Padre, porque yo pongo mi vida, para volverla á tomar.
17Hierom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven geef, om het weer terug te nemen.
18Nadie me la quita, mas yo la pongo de mí mismo. Tengo poder para ponerla, y tengo poder para volverla á tomar. Este mandamiento recibí de mi Padre.
18Niemand neemt het Mij af, maar Ik geef het uit Mijzelf; Ik heb macht om het te geven, en macht om het weer terug te nemen. Dit is de opdracht, die Ik van mijn Vader ontving.
19Y volvió á haber disensión entre los Judíos por estas palabras.
19Opnieuw ontstond er onenigheid onder de Joden als gevolg van deze toespraak.
20Y muchos de ellos decían: Demonio tiene, y está fuera de sí; ¿para qué le oís?
20Velen van hen zeiden: Hij is bezeten en krankzinnig; waarom luistert gij naar Hem?
21Decían otros: Estas palabras no son de endemoniado: ¿puede el demonio abrir los ojos de los ciegos?
21Anderen: Dit zijn geen woorden van een bezetene. Kan een duivel soms blinden de ogen openen?
22Y se hacía la fiesta de la dedicación en Jerusalem; y era invierno;
22Men vierde te Jerusalem het feest van tempelwijding; het was winter.
23Y Jesús andaba en el templo por el portal de Salomón.
23Toen Jesus in de tempel, in de zuilengang van Sálomon, op en neer wandelde,
24Y rodeáronle los Judíos y dijéronle: ¿Hasta cuándo nos has de turbar el alma? Si tú eres el Cristo, dínos lo abiertamente.
24omringden Hem de Joden, en zeiden tot Hem: Hoe lang houdt Gij ons nog in spanning? Zo Gij de Christus zijt, zeg het ons ronduit.
25Respondióles Jesús: Os lo he dicho, y no creéis: las obras que yo hago en nombre de mi Padre, ellas dan testimonio de mí;
25Jesus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd, maar gij gelooft het niet. De werken, die Ik verricht in de naam van mijn Vader, die getuigen voor Mij.
26Mas vosotros no creéis, porque no sois de mis ovejas, como os he dicho.
26Maar gij gelooft niet, omdat gij niet tot mijn schapen behoort.
27Mis ovejas oyen mi voz, y yo las conozco, y me siguen;
27Mijn schapen luisteren naar mijn stem; Ik ken ze, en ze volgen Mij.
28Y yo les doy vida eterna: y no perecerán para siempre, ni nadie las arrebatará de mi mano.
28En Ik geef hun het eeuwig leven; ze gaan in eeuwigheid niet verloren, en niemand rooft ze weg uit mijn hand.
29Mi Padre que me las dió, mayor que todos es: y nadie las puede arrebatar de la mano de mi Padre.
29Wat mijn Vader Mij heeft gegeven, is het kostbaarste van alles, en niemand kan het roven uit de hand van mijn Vader.
30Yo y el Padre una cosa somos.
30Ik en de Vader zijn één.
31Entonces volvieron á tomar piedras los Judíos para apedrearle.
31Weer grepen de Joden naar stenen, om Hem te stenigen.
32Respondióles Jesús: Muchas buenas obras os he mostrado de mi Padre; ¿por cuál obra de esas me apedreáis?
32Jesus antwoordde hun: Veel heerlijke werken heb Ik u namens den Vader getoond; om welk van die werken stenigt gij Mij?
33Respondiéronle los Judíos, diciendo: Por buena obra no te apedreamos, sino por la blasfemia; y porque tú, siendo hombre, te haces Dios.
33De Joden antwoordden Hem: Niet om een goed werk stenigen we U, maar om godslastering; omdat Gij, een mens, Uzelf tot God maakt.
34Respondióles Jesús: ¿No está escrito en vuestra ley: Yo dije, Dioses sois?
34Jesus antwoordde hun: Staat er in uw Wet niet geschreven: Ik heb gezegd: “Gij zijt goden”.
35Si dijo, dioses, á aquellos á los cuales fué hecha palabra de Dios (y la Escritura no puede ser quebrantada);
35Wanneer de Schrift hen nu goden noemt, tot wie Gods woord werd gericht, en ze toch niet kan falen:
36¿A quien el Padre santificó y envió al mundo, vosotros decís: Tú blasfemas, porque dije: Hijo de Dios soy?
36hoe zegt gij dan tot Hem, dien de Vader heeft geheiligd en in de wereld gezonden: Gij lastert; omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?
37Si no hago obras de mi Padre, no me creáis.
37Wanneer Ik de werken van mijn Vader niet doe, gelooft Mij dan niet;
38Mas si las hago, aunque á mí no creáis, creed á las obras; para que conozcáis y creáis que el Padre está en mí, y yo en el Padre.
38maar doe Ik ze wel, gelooft dan de werken, ook al zoudt gij Mij niet geloven; dan zoudt gij erkennen en weten, dat de Vader in Mij is, en Ik in den Vader ben.
39Y procuraban otra vez prenderle; mas él se salió de sus manos;
39Weer zochten ze Hem nu te grijpen, maar Hij ontkwam aan hun handen.
40Y volvióse tras el Jordán, á aquel lugar donde primero había estado bautizando Juan; y estúvose allí.
40Nu begaf Hij zich weer naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats, waar Johannes vroeger had gedoopt; en Hij bleef daar.
41Y muchos venían á él, y decían: Juan, á la verdad, ninguna señal hizo; mas todo lo que Juan dijo de éste, era verdad.
41Velen kwamen tot Hem, en zeiden: Johannes heeft wel geen enkel teken verricht; maar alles was waar, wat Johannes van Hem heeft gezegd.
42Y muchos creyeron allí en él.
42En velen geloofden daar in Hem.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.