Ioane 10
Meriam Mir GospelsTranslation
Meriam Mir Gospels
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ageakar, ageakar, kaka uabi detager, kega, Abele le nole balu mamoe giz gab te ge, a ogi nerute gab ge, E eruam le, a lu gatkamer le.
1Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie niet door de deur de schaapstal binnengaat, maar langs een andere zijde binnenklimt, hij is een dief en een rover.
2Abele le gab ge balu, E mamoe giz asesered.
2Maar die binnenkomt door de deur, is de herder der schapen.
3Gab asesered le ko diski abim; ege gaire mamoe giz aserare abara kodo mer: E darabgerare gaire nei gaire abara mamoe, a uiaba adige tegaret.
3De wachter doet hem open, en de schapen luisteren naar zijn stem; hij roept zijn eigen schapen bij hun naam, en voert ze naar buiten.
4Ese emetu gaire abara mamoe adige tegaret, E ko kekiam bakeam, a gaire mamoe abi irmili: abelelam uiaba akmer abara kodo mer.
4En als hij al zijn schapen heeft uitgedreven, gaat hij voor hen uit; en de schapen volgen hem, want ze kennen zijn stem.
5Uiaba nole sub le irmili, epe abi derarti: abelelam uiaba akmer kak sub le giz ra kodo mer.
5Maar een vreemdeling zullen ze niet volgen, eerder ontvluchten; want de stem van vreemden kennen ze niet.
6Iesu uiabim detaut abele mer babisdarie: epe uiaba nole akmer kak abara mer, E uiabim detaut.
6Deze gelijkenis sprak Jesus hun toe; maar ze begrepen niet, waarover Hij hun eigenlijk sprak.
7Iesu iako uiabim detaut, kega, Ageakar, ageakar, kaka uabi detager, kega, Kaka mamoe giz ra te.
7Daarom zei Jesus opnieuw: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen.
8Gaire le uridili kekiam tabarki, uiaba gaire eruam le, a gaire lu gatkamer le: a gaire mamoe nole uiabim asoli.
8Alle anderen, die Mij zijn voorafgegaan, waren dieven en rovers; maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd.
9Kai te nali; ese nerute le kari dog balu, E ko eded, ako balu, a eosmelu, a ko leuer nagri.
9Ik ben de deur: zo iemand door Mij binnentreedt, zal hij veilig zijn, in- en uitgaan, en weiland vinden.
10Ese eruam le tabarki, E tabarki ko eruam, a ko ipit eumilu, a lu gatkamer: kaka tabarki ueakai uiaba eded nagri, a ko au nagri.
10De dief komt alleen om te stelen, te slachten en te verderven; Ik ben gekomen, opdat ze leven en overvloed hebben.
11Kaka mamoe giz asesered le kar: abele le mamoro mamoe asesered, E abara eded ikuar uiabim mamoe giz.
11Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor de schapen.
12Abele le bodomalam erpei, a nole mamoe giz asesered le, a gaire mamoe nole tabara mamoe, E luko dasmer kei tabakeam, E gaire mamoe darakaertare, a koreder emerilu, epe gaire mamoe eregili luko de, uiaba kepu bamarida:
12Maar de huurling, die de herder niet is, en wien de schapen niet toebehoren, hij laat de schapen in de steek en slaat op de vlucht, zodra hij den wolf ziet komen; en de wolf rooft en verstrooit ze.
13E koreder emerilu, abelelam E bodomalam erpeilu, E nole gaire mamoe dikiapor.
13Want hij is een huurling, en hij heeft geen hart voor de schapen.
14Kakanali mamoe giz asesered le kar; kaka umele gaire kara mamoe, a uiaba kari umele.
14Ik ben de goede herder; Ik ken de mijnen, en de mijnen kennen Mij,
15Mokakalam Baba kari nasmeli, abkoreb kaka Baba nasmeli; kaka ko ikuar karbaba eded uiabim gaire mamoe.
15zoals de Vader Mij kent, en Ik den Vader ken. En Ik geef mijn leven voor de schapen.
16Kaka nagri uader mamoe, nole abele kalam: kaka ko a uiaba tegaret, a uiaba ko kara kodo mer aserare; iaueakai netate uteb gaire mamoe, a netate asesered le.
16Ik heb ook nog andere schapen, die niet uit deze schaapstal zijn. Ook hen moet Ik leiden, en ze zullen luisteren naar mijn stem; dan zal het worden: één kudde, één herder.
17Ege kara Aba kari omare, abelelam kaka karbara eded ikuar, iako takalu.
17Hierom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven geef, om het weer terug te nemen.
18Nole nerute le itke karielam, kaka karbabu ikuar: kara adigir nagri ko kara eded ikuar, a kara adigir nagri iako takalu. Abele gelar kaka erpei kara Abalam.
18Niemand neemt het Mij af, maar Ik geef het uit Mijzelf; Ik heb macht om het te geven, en macht om het weer terug te nemen. Dit is de opdracht, die Ik van mijn Vader ontving.
19Gaire Iudaia le nakesmulu abele gaire merlam.
19Opnieuw ontstond er onenigheid onder de Joden als gevolg van deze toespraak.
20Dordor uiabielam detaut, kega, Demoni abi dog, E paim paim; nalugelam uaba abi asoli?
20Velen van hen zeiden: Hij is bezeten en krankzinnig; waarom luistert gij naar Hem?
21Ege uader detager, kega, Nole demoni le la mer peike. Nako, demoni umele diski sadamer le la neisi pone?
21Anderen: Dit zijn geen woorden van een bezetene. Kan een duivel soms blinden de ogen openen?
22Abele Ierusalema ge uetpur: dilik bar ge;
22Men vierde te Jerusalem het feest van tempelwijding; het was winter.
23A Iesu ekas zogo meta, muige Solomona ra maisu ge.
23Toen Jesus in de tempel, in de zuilengang van Sálomon, op en neer wandelde,
24Iudaia giz netate gedim abi derumeda, a abi detager, kega, Ma keribi bamsili naket gerger? Ese mama Keriso, paret kak keribim detaut.
24omringden Hem de Joden, en zeiden tot Hem: Hoe lang houdt Gij ons nog in spanning? Zo Gij de Christus zijt, zeg het ons ronduit.
25Iesu uiabim detaut, kega, Kaka emetu uabi detagereda, uaba nole arpeir kak: abele gaire dorge kaka ikeli kara Aba ra nei ge, abele kari ageakarem.
25Jesus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd, maar gij gelooft het niet. De werken, die Ik verricht in de naam van mijn Vader, die getuigen voor Mij.
26Uaba nole arpeir kak, abelelam uaba nole kara mamoe giz.
26Maar gij gelooft niet, omdat gij niet tot mijn schapen behoort.
27Gaire kara mamoe asoli kara kodo mer, a kaka uiabi umele, a uiaba kari irmili:
27Mijn schapen luisteren naar mijn stem; Ik ken ze, en ze volgen Mij.
28A Kaka ko uiabim ikuar eded aseamur kak; a uiaba nole eud kak niaiem niai karem, a nole le uiabi natkedarare kara taglam.
28En Ik geef hun het eeuwig leven; ze gaan in eeuwigheid niet verloren, en niemand rooft ze weg uit mijn hand.
29Kara Aba, aule tumem gaire lu uridili, E uiaba kari nakuar: a nole le umele uiaba natkedarare kara Aba ra taglam.
29Wat mijn Vader Mij heeft gegeven, is het kostbaarste van alles, en niemand kan het roven uit de hand van mijn Vader.
30Kaka pako Aba, ki netat.
30Ik en de Vader zijn één.
31Iudaia giz baker tais ko abi itimdare.
31Weer grepen de Joden naar stenen, om Hem te stenigen.
32Iesu uiabim detager, kega, Dordor gaire debe dorge kaka uabi detomereta karba Abalam; na dorgelam uaba kari bakeru natimeda?
32Jesus antwoordde hun: Veel heerlijke werken heb Ik u namens den Vader getoond; om welk van die werken stenigt gij Mij?
33Iudaia giz abi detaut, kega, Keriba nole mari bakeru natimeda debe dorgelam, epe aospilam; abelelam mama le, a mabu bakeli Ade.
33De Joden antwoordden Hem: Niet om een goed werk stenigen we U, maar om godslastering; omdat Gij, een mens, Uzelf tot God maakt.
34Iesu uiabim detaut, kega, Nole uaba gelar aotar kak, kega, Kaka detaut, Uaba ade giz?
34Jesus antwoordde hun: Staat er in uw Wet niet geschreven: Ik heb gezegd: “Gij zijt goden”.
35Ese E emetu detager, kega, Uiaba gaire ade, uiabim gaire le Ade ra mer tabarki (a nole umer kak ko desak abele zogo mer detar),
35Wanneer de Schrift hen nu goden noemt, tot wie Gods woord werd gericht, en ze toch niet kan falen:
36Nako, uaba detager abi abei abele Aba zogoem a gesepem namarida, kega, Ma baospili; abelelam kaka detager, kega, Kaka Ade ra Uerem?
36hoe zegt gij dan tot Hem, dien de Vader heeft geheiligd en in de wereld gezonden: Gij lastert; omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?
37Ese kaka nole ikeli abele gaire kara Aba ra dorge, nole kari agaret kak.
37Wanneer Ik de werken van mijn Vader niet doe, gelooft Mij dan niet;
38Ese kaka ikeli, a uaba nole kari agaret kak, debele gaire dorge egaret: iaueakai uaba umele a egaret kega, Aba karim muige, a kaka muige kara Aba.
38maar doe Ik ze wel, gelooft dan de werken, ook al zoudt gij Mij niet geloven; dan zoudt gij erkennen en weten, dat de Vader in Mij is, en Ik in den Vader ben.
39Uiaba iako deraimer abi terpei: ege E uiabielam ispilu uiaba taglam.
39Weer zochten ze Hem nu te grijpen, maar Hij ontkwam aan hun handen.
40E iako bakeamulu Ioridano apek, abele uteb Ioane de kekiam bapataiso; a abele ge E emri.
40Nu begaf Hij zich weer naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats, waar Johannes vroeger had gedoopt; en Hij bleef daar.
41Gaire le abim tabakeauare, a mer atager, kega, Ioane nole ikeli nerute atamelam; epe ageakar gaire mer uridili Ioane de abi abeilu.
41Velen kwamen tot Hem, en zeiden: Johannes heeft wel geen enkel teken verricht; maar alles was waar, wat Johannes van Hem heeft gezegd.
42Gaire le abi oituli pedali.
42En velen geloofden daar in Hem.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.