Ioane 20
Meriam Mir GospelsTranslation
Meriam Mir Gospels
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Kekiam gerger sefen, Maria Magadalena tabakeam, bane ge, aoem, a baker dasmer, emetu adem aolam.
1Op de eerste dag der week kwam Maria Magdalena ‘s morgens vroeg, terwijl het nog donker was, naar het graf, en zag de steen van het graf afgerold.
2E koreder emerilu, a Simona Peteruim tabarki, pako nerute memeg le Iesu nasge, a uiabi daratager, kega, Uiaba emetu Opole egaret aolam, keriba umer kak nade uiaba abi ikedi.
2Ze snelde daarom vlug naar Simon Petrus heen, en naar den anderen leerling, dien Jesus liefhad, en zei hun: Men heeft den Heer uit het graf genomen, en wel weten niet, waar men Hem heeft neergelegd.
3Peteru, pako abele nerute kaimeg osmelei, a bakeamulei aoem.
3Toen gingen Petrus en de andere leerling op weg, en begaven zich naar het graf.
4Ui koreder emerilei: nerute kaimeg Peteru esaimeda, a ao ge kekiam tabarki;
4Ze waren samen op weg gegaan, maar de andere leerling liep sneller dan Petrus, en kwam het eerst bij het graf.
5E diketilu, a uali dasmer ipe; E nole bao.
5Hij bukte zich voorover, en zag het lijnwaad liggen; maar hij ging er niet binnen.
6Simona Peteru ko tabarki, abi irmili, a ao ge balu; a uali lino dasmer ipe,
6Nu kwam ook Simon Petrus achter hem aan, ging het graf binnen, en zag het lijnwaad liggen,
7Pako mog uali abara kerem sopem, nole netate ipe kemem uali lino, tepteb ipe nerute uteb nole atarat kak.
7met de zweetdoek, die zijn hoofd had bedekt; deze lag niet bij het lijnwaad, maar afzonderlijk opgerold op een andere plaats.
8Nerute kaimeg balu ko, abele le kekiam aoem tabarki, E ko dasmer, a oituli.
8Nu ging ook de andere leerling binnen, die het eerst bij het graf was gekomen. En nu hij het zag, geloofde hij ook;
9Uiaba nole akmer kak abele mer detali, kega, Abkoreb abim iako eded akaida eudelam.
9want ze kenden de Schrift nog niet, dat Hij uit de doden moest opstaan.
10Neisi kaimeg iako tabara uteb bakeamudariei.
10Toen gingen de leerlingen weer naar huis.
11Maria tekue adige ao ge ezoli: E tegreamalu a ezoli, a dasmer muige abele ao ge;
11Maar Maria bleef buiten bij het graf staan wenen. Onder het wenen bukte ze zich voorover naar het graf,
12E neisi angela darasmer, zazer uali darame eder emrilei, nerute kerem ge, a nerute teter ge, abele uteb Iesu ra gem ikedilu.
12en zag er twee engelen zitten in witte gewaden, de een aan het hoofdeind, de ander aan het voeteneind van de plaats, waar Jesus’ lichaam gelegen had.
13Uiaba abi detager, kega, Kosker, nalugem mama ezoli? E uiabim detaut, kega, Abelelam uiaba kara Opole egareda, kaka umer kak abele uteb uiaba abi ikedarare.
13Ze zeiden tot haar: Vrouw, waarom weent ge? Ze zei hun: Omdat men mijn Heer heeft weggenomen, en ik niet weet, waar men Hem heeft neergelegd.
14Emetu abele detager, E egreamalu, a Iesu dasmer tekue, E nole umer kak Iesu pedali.
14Toen ze dit had gezegd, keerde ze zich om, en zag Jesus staan; maar ze wist niet, dat het Jesus was.
15Iesu abi detaut, kega, Kosker, nalugem ma ezoli? ma niti deraimeri? E dikiapor E gedub paret arup le, E abi detaut, kega, Kole, ese mama abi egaret, kari natager abele uteb mama abi ikedi, ueakai kaka ko abi agaretelu.
15Jesus sprak tot haar: Vrouw, waarom weent ge; wien zoekt ge? In de mening, dat het de tuinman was, zeide ze Hem: Heer, zo gij Hem hebt weggehaald, zeg me, waar ge Hem hebt neergelegd, dan zal ik Hem wegdragen.
16Iesu abi detager, kega, Maria. E tegreamalu a abi detager, kega, Raboni: tonar, Ereue le.
16Jesus zei haar: Maria! Ze keerde zich naar Hem toe, en zei in het hebreeuws: Rabboni; dat wil zeggen: Meester!
17Iesu abi detaut, kega, Nole kari atutir kak; abelelam kaka nole karba Babim ogi: bakeamulu uiabim kara keimer giz, a uiabi daratagerare, kega, Kaka Abem pako uaba Aba ogi, kara Ade a uaba Ade.
17Jesus sprak tot haar: Houd Mij niet vast; want nog ben Ik niet naar den Vader opgestegen. Maar ga naar mijn broeders, en zeg hun: Ik stijg op naar mijn en uw Vader, naar mijn en uw God.
18Maria Magadalena kei bakeamulu, a kaimeg giz daratagerare, kega, Kaka emetu Opole dasmer; pako tonar E emetu detager abele abim.
18Maria Magdalena ging aan de leerlingen zeggen: Ik heb den Heer gezien; en wat Hij tot haar had gezegd.
19Ki ge abele gerger, kekiam gaire sefen, emetu demare gaire te abele uteb uiaba netate gedim, abelelam uiaba Iudaia le geum ge, Iesu tabakeamulu a eipu ekueilu, a uiabi detager, kega, Mapodan uabim.
19In de avond van diezelfde dag, de eerste dag der week, toen de deuren van het huis, waar de leerlingen zich bevonden, uit vrees voor de Joden waren gesloten, kwam Jesus binnen, plaatste Zich in hun midden, en sprak tot hen: Vrede zij u!
20Emetu abele detager, E abara neisi tag a abara ber uiabi natomelu. Abara kaimeg giz sererge Opole dasmer.
20En na deze woorden toonde Hij hun zijn handen en zijde. De leerlingen verheugden zich bij het zien van den Heer.
21Iesu iako uiabi detager, kega, Mapodon uabim: kaka uabi namarida mokakalam Baba kare namarida.
21Nogmaals zeide Hij hun: Vrede zij u! Zoals de Vader Mij heeft gezonden, zo zend Ik u.
22E emetu abele detager, E uiabim nerezi, a detager, kega, Lamar Zogo egaret:
22En toen Hij dit had gezegd, blies Hij over hen, en sprak: Ontvangt den Heiligen Geest.
23Abele gaire le la uit uaba ko emarik, abele ko uiabim emarik: abele uaba dekaer, abele ko dekaer.
23Wier zonden gij vergeeft, hun zijn ze vergeven; wier zonden gij behoudt, hun zijn ze behouden.
24Toma, nerute tuelf lelam, nei atker Didumo, nole uiabi dog kerker Iesu tabarki.
24Tomas, een van de twaalf, ook Didumus genaamd, was echter niet bij hen, toen Jesus kwam.
25Kaimeg giz abi detager, kega, Keriba emetu Opole dasmer. E uiabim detaut, kega, Ese kaka nole dasmer sok tulik ziz abara neisi tag, a kara baur kei sok tulik ziz ge aziriklu, a kara tag abara ber ge aziriklu, kaka nole uatur kak.
25De andere leerlingen zeiden hem dus: We hebben den Heer gezien. Maar hij zei hun: Zo ik in zijn handen de wonden der nagelen niet zie, en mijn vinger niet leg in de plaats van de nagelen, en mijn hand niet in zijn zijde steek, dan geloof ik het niet.
26Gaire gerger eit iobaru, abara kaimeg giz muige meta, a Toma uiabim kemem. Gaire te emetu demare, Iesu batimedilu, a uiabim eipu ekueilu, a detager, kega, Mapodan uabim.
26Acht dagen later waren zijn leerlingen weer daarbinnen bijeen, en ook Tomas was er bij. Terwijl de deuren gesloten waren, kwam Jesus binnen, plaatste Zich in hun midden, en zeide: Vrede zij u!
27E Toma detager, kega, Mabara baur kei tekau, a dasmer kara neisi tag; a mabara tag tekau, a kara ber ge aziriklu: ma nole uatur kak, debele oituli.
27Daarna sprak Hij tot Tomas: Leg uw vinger hier, en bezie mijn handen; steek uw hand uit, en leg ze in mijn zijde; en wees niet ongelovig, maar gelovig.
28Toma abi detaut, kega, Kara Opole, a kara Ade.
28Tomas gaf Hem ten antwoord: Mijn Heer en mijn God!
29Iesu abi detaut, kega, Toma ma oituli abelelam ma kari dasmer: uiaba uerkab le gaire le oituli, a nole asmer kak.
29Jesus sprak tot hem: Gelooft ge, omdat ge Mij hebt gezien? Zalig zij, die niet zien, en toch geloven.
30Dordor atamelam Iesu ikelare opem abara kaimeg giz, a nole detali abele jauali ge:
30Nog veel andere wonderen heeft Jesus in tegenwoordigheid van de leerlingen verricht, die in dit boek niet zijn beschreven.
31Emetu abele gaire lu detali ueakai uaba dikiaporauem, kega, Iesu Keriso kar, Ade ra Uerem: ueakai uaba onatereda, uaba ko eded nagri abi neilam.
31Maar deze zijn opgetekend, opdat ge geloven moogt, dat Jesus de Christus is, de Zoon van God; en opdat ge, door te geloven, het leven moogt hebben in zijn naam.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.