Ioane 6
Meriam Mir GospelsTranslation
Meriam Mir Gospels
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Abele iobaru, Iesu bakeam kei apek Galilaia keper ge, pe Tiberia.
1Daarna begaf Jesus Zich naar de overkant van het meer van Galilea of van Tibérias.
2Gaire le netate gedim abi irmili, abelelam uiaba dasmerare gaire atamelam E ekere, tumem gaire gim le.
2Een grote schare volgde Hem, omdat ze de wonderen hadden gezien, die Hij voor de zieken verricht had.
3Iesu paserem ogi, a kemem emri abara kaimeg giz.
3En Jesus besteeg het gebergte, en zette Zich daar met zijn leerlingen neer.
4Paseka maike, nerute Iudaia giz ra uetpur.
4Het was kort voor Pasen, het feest van de Joden.
5Iesu etilu, a gaire le lakub dasmer abim tabakeuare, E Filipo detaut, kega, Meriba nagelam leuer terapei, ko uiabi darasisiare?
5Toen Jesus nu de ogen opsloeg en een talrijke menigte tot Zich zag komen, sprak Hij tot Filippus: Waar zullen we brood kopen, zodat ze kunnen eten?
6E detager abele ko abi mirem: epe E umele abele lu ko ikeli.
6Dit zeide Hij echter, om hem op de proef te stellen; want zelf wist Hij goed, wat Hij doen zou.
7Filipo abi detaut, kega, Nole uiaba abkoreb abele leuer terapei tu handed denari, iauaekai uiaba nagri kebi leuer mog.
7Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd tienlingen brood is niet genoeg, als ieder van hen een stukje krijgt.
8Nerute abara kaimeg giz, pe Anederea, Simona Peteru ra keimer, abi detager, kega,
8Een zijner leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zeide tot Hem:
9Nerute makeriam ike nagri faif areto kon, a neisi lar: epe nako dali uiabim gaire le lakub mokakalam?
9Hier is een jongen, die vijf gerstebroden heeft en twee vissen; maar wat betekent dat voor zo velen?
10Iesu detaut, kega, Gaire le bameri. Au soge dali. Epe gaire kimiar bameri, mokakalam faif thausan etag.
10Jesus sprak: Laat de mensen gaan zitten. Er stond nu veel gras op die plaats. Ze gingen dus zitten; er waren ongeveer vijf duizend mannen.
11Iesu gaire areto ekau; emetu esoao, E kaimeg giz naisuerare, a uiaba gaire le bamer naisuerare; a neisi lar ko, abkoreb uiaba lag.
11Nu nam Jesus de broden, sprak een dankgebed uit, en deelde ze rond aan hen die daar zaten; zo ook van de vissen, zoveel ze wilden.
12Uiaba kem osmeda, E abara kaimeg giz detager, kega, Gaire leuer mog etagarare, a nole nerute lu adem.
12En toen ze waren verzadigd, zeide Hij tot zijn leerlingen: Verzamelt de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren gaat.
13Uiaba etagerare, a gaire tuelf epei artare, abele gaire mog areto kon faif, kaier uiaba leuer aroem.
13Zij verzamelden ze dus, en vulden twaalf korven met de brokken der vijf gerstebroden, die na het eten waren overgebleven.
14Emetu gaire le dasmer abele atamelam Iesu de ikeli, uiaba detager, kega, Ageakar, perofeta idali, emetu detaut ko uatabu gesepem.
14Bij het zien van het teken, dat Jesus gewrocht had, zeiden de mensen: Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld moet komen!
15Iesu umele uiaba ko elele abi egaret, ko abi ekairare opole, E iako gumik bakeamulu paserem.
15Daar nu Jesus voorzag, dat ze Hem zouden meevoeren, om Hem tot koning uit te roepen, trok Hij Zich heel alleen weer in het gebergte terug.
16Kikem, abara kaimeg giz keperem batueri;
16Maar toen het avond werd, daalden zijn leerlingen af naar het meer,
17A nar ge bateri, a atiem keper ge datuperti Kaperenauma ge. Ki ge, Iesu nole uiabi dog tabarki.
17gingen de boot in, en hielden koers naar Kafárnaum aan de overkant van het meer. Reeds was de duisternis ingevallen, en nog was Jesus niet bij hen gekomen.
18Keper au zauber au uaglam.
18De zee was onstuimig, want er woei een hevige wind.
19Emetu uiaba uzer mokakalam tuente faif a therti gaire setadia, uiaba Iesui dasmer tumem keper ge ekase, a maike nar ge: uiaba geum.
19Toen ze dan ongeveer vijf en twintig of dertig stadiën hadden afgelegd, zagen ze Jesus over het meer wandelen en nabij het vaartuig komen; ze werden er angstig van.
20E uiabi detaut, kega, Kakanali; uaba nole geum kak.
20Maar Hij sprak tot hen: Ik ben het; weest niet bang.
21Uiabi sererge abi tigemertare nar ge ekauerertare; epe uiaba sobkak ia karida ab ged ge uiaba atiem.
21Gewillig namen ze Hem nu in hun vaartuig op, en terstond landde de boot aan de kust, waar ze op afgestevend waren.
22Idim ge, gaire le lakub nerute apek ekue, a dasmer nole nar kak abele, epe abele nar tepteb abara kaimeg giz ekauerertare, Iesu nole uiabi kemem ekauererti nar ge, ege abara kaimeg giz tepteb atiem,
22De volgende morgen drong het door tot de schare, die aan de overkant van het meer was gebleven, dat er buiten dit éne geen ander vaartuig was geweest, en dat Jesus niet met zijn leerlingen aan boord was gegaan, maar dat zijn leerlingen alleen waren vertrokken.
23(Gaire nar barkarki Tiberialam, maike abele uteb uiaba areto eroare iobaru Iesu de esoao):
23Intussen kwamen er van Tibérias andere boten dicht bij de plaats, waar men het brood had gegeten, na het dankgebed des Heren.
24Emetu le lakub dasmerare Iesu nole akar pedali, pako abara kaimeg giz, uiaba gaire nar ge batiri, a Kaperenauma ge atiem, Iesu deraimerare.
24Toen dus de menigte zag, dat Jesus daar niet meer was en zijn leerlingen evenmin, gingen ze scheep, en voeren naar Kafárnaum, om Jesus te zoeken.
25Uiaba abi erdali kei apek abele keper, uiaba abi detaut, kega, Rabi, ma ge tabarki na gerger ge?
25En toen ze Hem aan de andere kant van het meer hadden gevonden, spraken ze tot Hem: Rabbi, wanneer zijt Gij hier gekomen?
26Iesu uiabi detaut, kega, Ageakar, ageakar, kaka uabi detagereda, Uaba nole kari naraimeli abelelam uaba dasmer gaire atamelam, mamaro uaba areto eroarem, a kem osmeda.
26Jesus antwoordde hun en sprak: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen hebt gezien, maar omdat gij van de broden gegeten en u verzadigd hebt.
27Nole sagim kak buzbuz leuer, epe mamoro niai leuer, a tabarki eded aseamur kak, Le la Uerem ko uabi ikuar; abelelam Baba, pe Ade, abi detakobi.
27Arbeidt niet voor de spijs die vergaat, maar voor de spijs die blijft tot in het eeuwige leven, en die de Mensenzoon u zal geven. Want op Hem heeft God, heeft de Vader zijn zegel gedrukt.
28Uiaba abi detaut, kega, Nalu keriba dorge, ki ko ikeli Ade ra dorge?
28Ze zeiden Hem dan: Wat moeten we doen, om de werken Gods te verrichten?
29Iesu uiabi detaut, kega, Ade ra dorge peik, ko oituli abim, E temarida.
29Jesus antwoordde hun: Dit is het werk van God: dat gij gelooft in Hem, dien Hij gezonden heeft.
30Uiaba abi detaut, kega, Nalu atamelam mama ikeli, ki ko dasmer, a marim oituli? nalu mara dorge?
30Ze zeiden Hem: Wat voor teken verricht Gij dan wel, dat ons overtuigt, zodat we in U geloven? Wat doet Gij eigenlijk?
31Keriba kaied mana erolare soge purge; mokakalam emetu detali, kega, E uiabi areto nakuarare kotorlam ko eroare.
31Onze vaderen hebben in de woestijn het manna gegeten, zoals er geschreven staat: “Brood uit de hemel heeft Hij hun te eten gegeven”.
32Iesu uiabi detaut, kega, Ageakar, ageakar, kaka uabi detager, Mose nole areto uabi ikuar kotorlam; epe mamoro kara Aba uabi dekuarda areto kar kotorlam.
32Nu sprak Jesus tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Moses heeft u geen brood gegeven, dat uit de hemel kwam, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel;
33Abelelam Ade ra areto dali kotorlam tabi, a eded nakuarare gesepem.
33want het brood, dat uit de hemel neerdaalt, is het brood van God, dat leven aan de wereld schenkt.
34Uiaba abi detaut, kega, Kole, keribi dekuarare areto dali.
34Ze zeiden Hem dan: Heer, geef ons dit brood voor immer.
35Iesu uiabi detager, kega, Kaka eded areto: abele le karim tabakeam, E nole iako uererge: abele le karim oituli, E nole iako ni ap.
35Jesus sprak tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft zal nimmer meer dorst lijden.
36Kaka uabi detagereda, kega, Emetu uaua kari nasmereda, pe nole uatur kak.
36Maar Ik heb het u gezegd: gij hebt Mij gezien, en toch gelooft gij niet.
37Ui uridili Baba de kari nakuar ko karim tabakeuare; abele le karim tabakeam, kaka nole abi atua kak.
37Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en wie tot Mij komt, zal Ik niet buiten werpen.
38Abelelam kaka nole kotorlam tarabu ko ikeli kara lag, mamoro abara lag, E kari namarida.
38Want Ik ben uit de hemel neergedaald, niet om mijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij heeft gezonden.
39Baba ra lag peike, kari namarida, kega, Kaka nole nerute dekaerti, E kari nakuar, epe kaka ko ekiamda keubu gerger ge.
39Welnu, dit is de wil van Hem, die Mij heeft gezonden, dat Ik niets verloren laat gaan van wat Hij Mij heeft gegeven, maar dat Ik het op de jongste dag doe verrijzen.
40Abara lag peike, kari namarida, kega, Gaire le uridili Uerem dasmerare, a abi oituli, uiaba eded nagri aseamur kak: epe kaka ko uiabi nakiamda keubu gerger ge.
40Dit is de wil van den Vader, die Mij gezonden heeft, dat wie den Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwige leven heeft, en dat Ik hem op de jongste dag zal doen verrijzen.
41Iudaia le giz abi gumik mer atagere, abelelam E detaut, kega, Kaka areto kotorlam tarabu.
41Maar de Joden morden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het brood, dat uit de hemel is neergedaald.
42Uiaba detaut, kega, Nako, nole Iesu pedali, Iosefa ra uerem, pe nako, meriba nole umer kak abara aba a apu? nalugem E detaut, kega, Kaka kotorlam tarabu?
42En ze zeiden: Is deze niet Jesus, de zoon van Josef, wiens vader en moeder we kennen? Hoe zegt Hij dan: Ik ben uit de hemel neergedaald?
43Abelelam Iesu detaut, a uiabim detagereda, kega, Uaba nole gumik mer atager kak.
43Jesus antwoordde hun, en sprak: Mort toch niet onder elkander.
44Le nole umer kak karim tabakeam, ese nole abi egared Baba de, kari namarida: epe kaka ko abi ekiamda keubu gerger ge.
44Niemand kan tot Mij komen, zo de Vader, die Mij zond, hem niet trekt; en Ik zal hem op de jongste dag doen verrijzen.
45Emetu detali gaire perofeta ge, kega, Ade de uiabi uridili nereuereda. Gaire le uridili asereda Babalam, a emetu nereuereda uiaba karim tabakeuare.
45Er staat geschreven bij de profeten: “En allen zullen zij onderricht worden door God”. Wie naar den Vader luistert en door Hem is onderricht, hij komt tot Mij.
46Nole nerute le Baba dasmer, mamoro E Adelam, E Baba dasmer.
46Niet dat iemand den Vader gezien heeft; alleen Hij die van God stamt, Hij heeft den Vader gezien.
47Ageakar, ageakar, kaka uabi detagereda, kega, Abele le karim oituli, E nagri eded aseamur kak.
47Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie gelooft, heeft het eeuwige leven.
48Kaka eded areto.
48Ik ben het brood des levens.
49Uada kaied mana erolare soge purge, uiaba baumer.
49Uw vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, en ze zijn gestorven.
50Abele areto kotorlam tabu, ese le eroli, E nole eud kak.
50Dit is het brood, dat uit de hemel nederdaalt: eet men daarvan, dan sterft men niet.
51Kaka eded areto kotorlam tarabu; ese le eroli areto peik, E ko eded niai karem: abele areto kaka ko ikuar, abele kara gem, kaka ko ikuar ueakai gesepem eded.
51Ik ben het levend brood, dat uit de hemel is neergedaald; zo iemand eet van dit brood, zal hij in eeuwigheid leven. En het brood, dat Ik zal geven, is mijn vlees voor het leven der wereld.
52Iudaia le giz basaredelare, kega, Epe nalu le dali ko ikuar abara gem aroem?
52Maar de Joden twistten onder elkander, en zeiden: Hoe kan Hij ons zijn vlees te eten geven?
53Iesu uiabi detaut, kega, Ageakar, ageakar, kaka uabi detagereda, ese uaba nole eroli Le la Uerem ra gem, pako abara mam ere, uaba nole eded kak muige uaba nerkep ge.
53Jesus sprak tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Zo gij het vlees van den Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, dan hebt gij het leven niet in u.
54Abele le kara gem eroli, pako kara mam ere, E nagri eded aseamur kak; epe kaka ko abi ekiamda keubu gerger ge.
54Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven, en Ik zal hem op de jongste dag doen verrijzen.
55Abelelam kara gem leuer kar, a kara mam ni kar.
55Want mijn vlees is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk drank.
56Abele le kara gem eroli, a kara mam ereli, E muige kara nerkep ge, a kaka abi nerkep ge.
56Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.
57Mokakalam Baba eded kari namarida, a kaka ko eded Babalam: mokakalam abele le kari naroli, E ko eded karielam.
57Zoals de Vader die leeft, Mij heeft gezonden, en Ik leef door den Vader, zó zal ook hij, die Mij eet, leven door Mij.
58Abele areto kotorlam tarabu: nole mokakalam kaied giz erolare, gako baum: abele le areto idali eroli ko eded niai karem.
58Dit is het brood, dat uit de hemel is neergedaald. Niet een brood als de vaders hebben gegeten en toch zijn gestorven; wie dit brood eet zal leven in eeuwigheid.
59E abele gaire lu detagereda muige sunago, E nereuereda Kaperenauma ge.
59Zo sprak Hij bij zijn onderrichting in de synagoge van Kafárnaum.
60Gaire abara kaimeg giz abele asarare, uiaba detager, kega, Beber abele mer; nete umele asoli?
60Velen van zijn leerlingen, die het hadden gehoord, zeiden: Dit woord is hard; wie kan naar zo iets luisteren?
61Iesu umele, taba nerkep ge, abara kaimeg giz gumik mer atager abele, E uiabim detaut, kega, Nako, abele uabi bamsili?
61Maar Jesus, die wist dat zijn leerlingen daarover morden, sprak tot hen: Ergert u dit?
62Nako, ese uaba dasmer Le la Uerem abara emeret utebem ogi?
62En wanneer gij nu den Mensenzoon eens ziet opstijgen naar waar Hij vroeger was?
63Lamar de idgiri, gem nole lu kar: abele gaire mer kaka uabi detagereda, lamar pedali, pako eded.
63Het is de geest, die leven brengt; het vlees brengt niets daartoe bij. De woorden, die Ik tot u sprak, zijn geest en leven.
64Uader uabielam nole oatur kak. Iesu umele gizlam uiaba nole oatur kak, a abele le abi keserkeser.
64Maar daar zijn er sommigen onder u, die niet geloven. Want Jesus wist van de aanvang af, wie het waren, die niet geloofden; en wie het was, die Hem verraden zou.
65E detaut, kega, Abelelam kaka uabi detagereda, le umer kak karim tabakeam, ese nole abi ikuar Baba de.
65En Hij vervolgde: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij kan komen, tenzij het hem door mijn Vader is gegeven.
66Abele merlam, gaire abara kaimeg giz iako takomeda, a nole abi kemem bakeam.
66Van dat ogenblik af trokken velen zijner leerlingen zich terug, en bleven niet langer bij Hem.
67Iesu tuelf le detagereda, kega, Nako uaba ko laglag akomeda?
67Nu sprak Jesus tot de twaalf: Wilt ook gij misschien heengaan?
68Simona Peteru abi detaut, kega, Kole, nitim keriba bakeam? mari dog gaire eded mer aseamur kak.
68Simon Petrus antwoordde Hem: Heer, naar wien zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven;
69Ki oituli, a opasereret, mama Keriso, Ade ra Uerem niai eded.
69we geloven en weten: Gij zijt de Heilige Gods.
70Iesu uiabi detaut, kega, Nako kaka uabi iterare tuelf le, a nerute uaba diabolo?
70Jesus hernam: Heb Ik u alle twaalf niet uitverkoren? En toch, één uwer is een duivel.
71E Iudalam detager, Simona Isakariota ra uerem: abelelam E ko abi keserker, E nerute tuelf lelam.
71Hiermee bedoelde Hij Judas, den zoon van Simon Iskáriot. Want deze, één van de twaalf, zou Hem verraden.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.