Йоана 6
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Після сього пійшов Ісус на той бік моря Галилейського, Тивериядського.
1Daarna begaf Jesus Zich naar de overkant van het meer van Galilea of van Tibérias.
2І йшло за Ним багато народу, бо бачили Його ознаки, що робив над недужими.
2Een grote schare volgde Hem, omdat ze de wonderen hadden gezien, die Hij voor de zieken verricht had.
3Зійшов же на гору Ісус, і сидїв там з учениками своїми.
3En Jesus besteeg het gebergte, en zette Zich daar met zijn leerlingen neer.
4Була ж близько пасха, сьвято Жидівське.
4Het was kort voor Pasen, het feest van de Joden.
5Знявши ж Ісус очі і побачивши, що багато народу йде до Него, рече до Филипа: Звідкіля купимо хлїба, щоб вони попоїли?
5Toen Jesus nu de ogen opsloeg en een talrijke menigte tot Zich zag komen, sprak Hij tot Filippus: Waar zullen we brood kopen, zodat ze kunnen eten?
6Се ж сказав, вивідуючи його, бо сам знав, що має робити.
6Dit zeide Hij echter, om hem op de proef te stellen; want zelf wist Hij goed, wat Hij doen zou.
7Відказав Йому Филип: За двістї денариїв хлїба не стане їм, щоб кожному з них хоч трохи досталось.
7Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd tienlingen brood is niet genoeg, als ieder van hen een stukje krijgt.
8Каже Йому один з учеників Його, Андрей, брат Симона Петра:
8Een zijner leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zeide tot Hem:
9Є тут хлопець один, що має пять хлїбів ячних та дві рибки; тільки що сього на стільки?
9Hier is een jongen, die vijf gerstebroden heeft en twee vissen; maar wat betekent dat voor zo velen?
10Рече ж Ісус: Заставте людей сїдати. Була ж трава велика на тому місцї. Посїдали ж чоловіки, числом тисяч з пять.
10Jesus sprak: Laat de mensen gaan zitten. Er stond nu veel gras op die plaats. Ze gingen dus zitten; er waren ongeveer vijf duizend mannen.
11Прийнявши ж хлїби Ісус, і оддавши хвалу, подав ученикам, ученики ж сидячим; так само й риби, скільки хотїли.
11Nu nam Jesus de broden, sprak een dankgebed uit, en deelde ze rond aan hen die daar zaten; zo ook van de vissen, zoveel ze wilden.
12Як же наситились, рече ученикам своїм: Позбирайте останки окрушин, щоб не пропало нїщо.
12En toen ze waren verzadigd, zeide Hij tot zijn leerlingen: Verzamelt de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren gaat.
13Зібрали ж і наповнили дванайцять кошів окрушин із пяти хлїбів ячних, що зосталось у тих, що їли.
13Zij verzamelden ze dus, en vulden twaalf korven met de brokken der vijf gerstebroden, die na het eten waren overgebleven.
14Люде ж, бачивши, яку ознаку зробив Ісус, сказали, що се справдї пророк, грядущий на сьвіт.
14Bij het zien van het teken, dat Jesus gewrocht had, zeiden de mensen: Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld moet komen!
15Як же постеріг Ісус, що хочуть прийти та схопити Його, щоб зробити Його царем, то пійшов ізнов на гору сам один.
15Daar nu Jesus voorzag, dat ze Hem zouden meevoeren, om Hem tot koning uit te roepen, trok Hij Zich heel alleen weer in het gebergte terug.
16Як же настав вечір, пійшли ученики Його над море,
16Maar toen het avond werd, daalden zijn leerlingen af naar het meer,
17і, ввійшовши в човен, плили на той бік моря у Капернаум. І вже стемнїло, й не приходив до них Ісус.
17gingen de boot in, en hielden koers naar Kafárnaum aan de overkant van het meer. Reeds was de duisternis ingevallen, en nog was Jesus niet bij hen gekomen.
18А море, од великого вітру, що бурхав, піднялось.
18De zee was onstuimig, want er woei een hevige wind.
19Одпливши ж гоней на двайцять і пять або трийцять, бачять, що Ісус ходить по морю, і до човна наближуєть ся, і полякались.
19Toen ze dan ongeveer vijf en twintig of dertig stadiën hadden afgelegd, zagen ze Jesus over het meer wandelen en nabij het vaartuig komen; ze werden er angstig van.
20Він же рече їм: Се я; не лякайтесь.
20Maar Hij sprak tot hen: Ik ben het; weest niet bang.
21Тодї радо прийняли Його в човен, і зараз човен опинивсь коло землї, куди вони прямували.
21Gewillig namen ze Hem nu in hun vaartuig op, en terstond landde de boot aan de kust, waar ze op afgestevend waren.
22Назавтра народ, стоячий по тім боцї моря, побачивши, що иншого човна не було там, тільки один той, у котрий ввійшли ученики Його, й що не ввійшов з учениками своїми Ісус у човен, а що самі ученики Його відчалили,
22De volgende morgen drong het door tot de schare, die aan de overkant van het meer was gebleven, dat er buiten dit éne geen ander vaartuig was geweest, en dat Jesus niet met zijn leerlingen aan boord was gegaan, maar dat zijn leerlingen alleen waren vertrokken.
23инші ж човни поприходили з Тиверияди поблизу місця, де їли хлїб, як хвалу оддав Господь;
23Intussen kwamen er van Tibérias andere boten dicht bij de plaats, waar men het brood had gegeten, na het dankgebed des Heren.
24побачивши ж оце люде, що Ісуса там нема, анї учеників Його, ввійшли і вони в човни, та й прибули в Капернаум, шукаючи Ісуса.
24Toen dus de menigte zag, dat Jesus daar niet meer was en zijn leerlingen evenmin, gingen ze scheep, en voeren naar Kafárnaum, om Jesus te zoeken.
25І, знайшовши Його на тім боцї моря, сказали Йому: Рави, коли прибув єси сюда?
25En toen ze Hem aan de andere kant van het meer hadden gevonden, spraken ze tot Hem: Rabbi, wanneer zijt Gij hier gekomen?
26Відказав їм Ісус і рече: Істино, істино глаголю вам: Шукаєте мене не тому, що бачили ознаки, а що їли хлїб, та й наситились.
26Jesus antwoordde hun en sprak: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen hebt gezien, maar omdat gij van de broden gegeten en u verzadigd hebt.
27Трудїть ся не для їжи погибаючої, а для їжи, що зостаєть ся в вічнє життє, котру Син чоловічий вам дасть; Сього бо Отець ствердив, Бог.
27Arbeidt niet voor de spijs die vergaat, maar voor de spijs die blijft tot in het eeuwige leven, en die de Mensenzoon u zal geven. Want op Hem heeft God, heeft de Vader zijn zegel gedrukt.
28Казали ж до Него: Що нам робити, щоб чинити дїла Божі?
28Ze zeiden Hem dan: Wat moeten we doen, om de werken Gods te verrichten?
29Відказав Ісус і рече їм: Се єсть дїло Боже, щоб вірувати в Того, кого післав Він.
29Jesus antwoordde hun: Dit is het werk van God: dat gij gelooft in Hem, dien Hij gezonden heeft.
30Казали ж Йому: Що ж робиш Ти за ознаку, щоб видїли ми, та й вірували Тобі? що чиниш?
30Ze zeiden Hem: Wat voor teken verricht Gij dan wel, dat ons overtuigt, zodat we in U geloven? Wat doet Gij eigenlijk?
31Батьки наші манну їли в пустинї, як писано: Хлїб з неба дав їм їсти.
31Onze vaderen hebben in de woestijn het manna gegeten, zoals er geschreven staat: “Brood uit de hemel heeft Hij hun te eten gegeven”.
32Рече ж їм Ісус: Істино, істино глаголю вам: Не Мойсей дав вам хлїб з неба, а Отець мій дає вам хлїб з неба правдивий.
32Nu sprak Jesus tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Moses heeft u geen brood gegeven, dat uit de hemel kwam, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel;
33Бо хлїб Божий той, що сходить з неба, й життє дає сьвітові.
33want het brood, dat uit de hemel neerdaalt, is het brood van God, dat leven aan de wereld schenkt.
34Казали ж до Него: Господи, всякого часу давай нам хлїб сей.
34Ze zeiden Hem dan: Heer, geef ons dit brood voor immer.
35Рече ж їм Ісус: Я хлїб життя, хто приходить до мене, не голодувати ме, і хто вірує в мене, не жаждувати ме нїколи.
35Jesus sprak tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft zal nimmer meer dorst lijden.
36Тільки глаголю вам, що й видїли мене, та й не віруєте.
36Maar Ik heb het u gezegd: gij hebt Mij gezien, en toch gelooft gij niet.
37Усе, що дає менї Отець, до мене прийде; а хто приходить до мене, не вижену геть.
37Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en wie tot Mij komt, zal Ik niet buiten werpen.
38Бо зійшов я з неба, не щоб чинити волю мою, а волю Пославшого мене.
38Want Ik ben uit de hemel neergedaald, niet om mijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij heeft gezonden.
39Се ж воля пославшого мене Отця, щоб з усього, що дав менї, не погубив я нїчого, а воскресив його останнього дня.
39Welnu, dit is de wil van Hem, die Mij heeft gezonden, dat Ik niets verloren laat gaan van wat Hij Mij heeft gegeven, maar dat Ik het op de jongste dag doe verrijzen.
40Се ж воля пославшого мене, щоб кожен, хто видить Сина й вірує в Него, мав життє вічнє, і я воскрешу його останнього дня.
40Dit is de wil van den Vader, die Mij gezonden heeft, dat wie den Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwige leven heeft, en dat Ik hem op de jongste dag zal doen verrijzen.
41Миркали тодї Жиди про Него, що сказав: Я хлїб, що зійшов з небес;
41Maar de Joden morden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het brood, dat uit de hemel is neergedaald.
42і казали: Хиба се не Ісус, син Йосифів, котрого знаємо ми батька й матїр? Як же Він каже: Що з неба зійшов я?
42En ze zeiden: Is deze niet Jesus, de zoon van Josef, wiens vader en moeder we kennen? Hoe zegt Hij dan: Ik ben uit de hemel neergedaald?
43Озвав ся ж Ісус і рече їм: Не миркайте між собою.
43Jesus antwoordde hun, en sprak: Mort toch niet onder elkander.
44Нїхто не може прийти до мене, коли Отець, пославший мене, не притягне його, й я воскрешу його останнього дня.
44Niemand kan tot Mij komen, zo de Vader, die Mij zond, hem niet trekt; en Ik zal hem op de jongste dag doen verrijzen.
45Написано в пророків: І будуть усї навчені від Бога. Тим кожен, хто чув од Отця і навчивсь, приходить до мене.
45Er staat geschreven bij de profeten: “En allen zullen zij onderricht worden door God”. Wie naar den Vader luistert en door Hem is onderricht, hij komt tot Mij.
46Не то, щоб Отця хто видїв, тільки Той, хто від Бога, Той видїв Отця.
46Niet dat iemand den Vader gezien heeft; alleen Hij die van God stamt, Hij heeft den Vader gezien.
47Істино, істино глаголю вам: Хто вірує в мене, має життє вічнє.
47Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie gelooft, heeft het eeuwige leven.
48Я хлїб життя.
48Ik ben het brood des levens.
49Батьки ваші їли манну в пустинї, та й повмирали.
49Uw vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, en ze zijn gestorven.
50Се хлїб, що з неба сходить, щоб, хто їсть Його, не вмер.
50Dit is het brood, dat uit de hemel nederdaalt: eet men daarvan, dan sterft men niet.
51Я хлїб живий, що з неба зійшов. Коли хто їсть сей хлїб, жити ме по вік; а хлїб, що я дам, се тїло моє, що я дам за життє сьвіту.
51Ik ben het levend brood, dat uit de hemel is neergedaald; zo iemand eet van dit brood, zal hij in eeuwigheid leven. En het brood, dat Ik zal geven, is mijn vlees voor het leven der wereld.
52Змагались тодї між собою, говорячи: Як може Він дати нам тїло їсти?
52Maar de Joden twistten onder elkander, en zeiden: Hoe kan Hij ons zijn vlees te eten geven?
53Рече ж їм Ісус: Істино, істино глаголю вам: Як не їсте тїла Сина чоловічого й не пєте Його крові, не маєте життя в собі.
53Jesus sprak tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Zo gij het vlees van den Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, dan hebt gij het leven niet in u.
54Хто їсть тїло моє і пє мою кров, має життє вічнє, і я воскрешу його останнього дня.
54Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven, en Ik zal hem op de jongste dag doen verrijzen.
55Тїло моє справдї єсть їжа, а кров моя справдї єсть напиток.
55Want mijn vlees is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk drank.
56Хто їсть тїло моє і пє кров мою, в менї пробуває, а я в йому.
56Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.
57Як післав мене живий Отець, і я живу Отцем, так і хто їсть мене, й той жити ме мною.
57Zoals de Vader die leeft, Mij heeft gezonden, en Ik leef door den Vader, zó zal ook hij, die Mij eet, leven door Mij.
58Се хлїб, що з неба зійшов. Не як батьки ваші їли манну та й повмирали; хто їсть сей хлїб, жити ме по вік.
58Dit is het brood, dat uit de hemel is neergedaald. Niet een brood als de vaders hebben gegeten en toch zijn gestorven; wie dit brood eet zal leven in eeuwigheid.
59Се Він глаголав у школї, навчаючи в Капернаумі.
59Zo sprak Hij bij zijn onderrichting in de synagoge van Kafárnaum.
60Многі ж слухавши з учеників Його казали: Жорстоке се слово; хто може його слухати?
60Velen van zijn leerlingen, die het hadden gehoord, zeiden: Dit woord is hard; wie kan naar zo iets luisteren?
61Знаючи ж Ісус сам у собі, що миркають про Него ученики Його, рече їм: Се вас блазнить?
61Maar Jesus, die wist dat zijn leerlingen daarover morden, sprak tot hen: Ergert u dit?
62Що ж, коли побачите Сина чоловічого, як входить туди, де перше був?
62En wanneer gij nu den Mensenzoon eens ziet opstijgen naar waar Hij vroeger was?
63Се дух, що оживлює; тїло не годить ся нї на що. Слова, що я глаголю вам, се дух і життє.
63Het is de geest, die leven brengt; het vlees brengt niets daartoe bij. De woorden, die Ik tot u sprak, zijn geest en leven.
64Тільки ж є такі між вами, що не вірують. Знав бо з почину Ісус, котрі не вірують, і хто зрадить Його.
64Maar daar zijn er sommigen onder u, die niet geloven. Want Jesus wist van de aanvang af, wie het waren, die niet geloofden; en wie het was, die Hem verraden zou.
65І рече: Тим глаголав вам, що нїхто не може прийти до мене, коли не буде дано йому від Отця мого.
65En Hij vervolgde: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij kan komen, tenzij het hem door mijn Vader is gegeven.
66Після сього багато з учеників Його пійшли назад, і вже більш з Ним не ходили.
66Van dat ogenblik af trokken velen zijner leerlingen zich terug, en bleven niet langer bij Hem.
67Рече ж Ісус дванайцятьом: Чи й ви хочете йти?
67Nu sprak Jesus tot de twaalf: Wilt ook gij misschien heengaan?
68Відказав тодї Йому Симон Петр: Господи, до кого йти нам? у Тебе слова життя вічнього,
68Simon Petrus antwoordde Hem: Heer, naar wien zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven;
69і ми увірували й взнали, що Ти єси Христос, Син Бога живого.
69we geloven en weten: Gij zijt de Heilige Gods.
70Відказав їм Ісус: Хиба не я вас дванайцятьох вибрав? а один з вас диявол.
70Jesus hernam: Heb Ik u alle twaalf niet uitverkoren? En toch, één uwer is een duivel.
71Говорив же про Юду Симонового Іскариота: сей бо мав Його зрадити, один з дванайцяти.
71Hiermee bedoelde Hij Judas, den zoon van Simon Iskáriot. Want deze, één van de twaalf, zou Hem verraden.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.