Йоана 4
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Як же взнав Господь, що прочули Фарисеї, що Ісус більш учеників єднає і хрестить, нїж Йоан,
1Zodra de Heer echter vernam, dat de farizeën gehoord hadden, hoe Jesus meer leerlingen won en doopte dan Johannes,
2(хоч Ісус сам не хрестив, а ученики Його;)
2(hoewel Jesus zelf niet doopte, maar zijn leerlingen),
3то покинув Юдею, та й пійшов знов у Галилею.
3verliet Hij Judea, en vertrok Hij weer naar Galilea.
4Треба ж було Йому проходити через Самарию.
4En daar Hij door Samaria moest reizen,
5Приходить оце в город Самарянський, названий Сихар, поблизу хутора, що дав Яков Йосифу, синові своєму.
5kwam Hij zo in een stad van Samaria, Sikar geheten, nabij het veld, dat Jakob aan zijn zoon Josef geschonken had.
6Була ж там криниця Яковова. Оце ж Ісус, утомившись у дорозї, сидїв так на криницї; було ж коло шестої години.
6Daar bevond zich ook de bron van Jakob. Jesus, vermoeid van de reis, zette Zich neer bij de bron. Het liep tegen het zesde uur.
7Приходить жінка з Самариї начерпати води. Рече їй Ісус: Дай менї пити.
7Een vrouw uit Samaria kwam water putten. Jesus zeide haar: Geef Mij te drinken.
8Ученики бо Його пійшли в город, щоб купити їжі.
8Want zijn leerlingen waren naar de stad gegaan, om levensmiddelen te kopen.
9Каже ж Йому жінка Самарянка: Як се Ти, Жидовин бувши, пити просиш від мене, жінки Самарянки? Бо Жиди не сходять ся з Самарянами.
9De samaritaanse vrouw zei Hem: Hoe, Gij, een Jood, vraagt te drinken aan mij, een samaritaanse vrouw? (Joden namelijk hebben geen omgang met Samaritanen.)
10Озвавсь Ісус і рече їй: Коли б знала дар Божий і хто се говорить тобі: Дай менї пити, ти просила б Його, й дав би тобі води живої.
10Jesus gaf haar ten antwoord: Zo ge de gave Gods verstondt, en wie het is, die u zegt: “Geef Mij te drinken”, dan zoudt gij het Hem hebben gevraagd, en Hij zou u levend water hebben gegeven.
11Каже Йому жінка: Добродїю, і черпака не маєш, і колодязь глибокий; звідкіля ж маєш воду живу?
11Ze zei Hem: Heer, Gij hebt niet eens een emmer, en de put is diep; waar haalt Gij dan het levend water vandaan?
12Хиба Ти більший єси отця нашого Якова, що дав нам сей колодязь? і він сам з него пив, і сини його, й скот його.
12Zijt Gij soms groter dan onze vader Jakob, die ons de put heeft geschonken, en die er zelf uit dronk met zijn zonen en zijn vee?
13Озвавсь Ісус і рече їй: Всякий, хто пє воду сю забажає знов;
13Jesus antwoordde haar: Wie van dit water drinkt, krijgt weer dorst. Maar wie drinkt van het water, dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst meer krijgen;
14хто ж напєть ся води, що я дам йому, не забажає до віку; а вода, що дам йому, буде в йому жерелом води, що тече в життє вічнє.
14integendeel, het water, dat Ik hem zal geven, zal een bron in hem worden van water, dat opborrelt ten eeuwigen leven.
15Каже до Него жінка: Добродїю, дай менї сієї води, щоб не жаждувала, анї ходила сюди черпати.
15De vrouw zeide Hem: Heer, geef me dat water, opdat ik geen dorst meer krijg, en niet meer hier hoef komen putten.
16Рече їй Ісус: Іди поклич чоловіка твого, та й приходь сюди.
16Hij sprak tot haar: Ga uw man roepen, en kom hier terug.
17Озвалась жінка і каже: Не маю чоловіка. Рече їй Ісус: Добре сказала єси, що чоловіка не маєш;
17De vrouw antwoordde: Ik heb geen man. Jesus zeide haar: Dat zegt ge wèl: “Ik heb geen man”.
18пять бо чоловіків мала, та й тепер которого маєш, не чоловік тобі; у сьому правду сказала єси.
18Want vijf mannen hebt ge gehad, en dien ge nu hebt, is niet uw man; dat hebt ge naar waarheid gezegd.
19Каже Йому жінка: Добродїю, бачу, що пророк єси Ти.
19De vrouw zei Hem: Heer, ik zie, dat Gij een profeet zijt.
20Батьки наші на сїй горі покланялись; а ви кажете, що в Єрусалимі місце, де треба покланяти ся.
20Onze vaderen aanbaden God op deze berg, en gij allen beweert, dat in Jerusalem de plaats is gelegen, waar men Hem aanbidden moet.
21Рече їй Ісус: Жінко, вір менї, що прийде час, коли нї на горі сїй, анї в Єрусалимі покланяти метесь ви Отцеві.
21Jesus sprak tot haar: Geloof Mij, vrouw; er komt een uur, waarin gij noch op deze berg noch te Jerusalem den Vader zult aanbidden.
22Ви кланяєтесь, а чому — не знаєте; ми кланяємось, і чому — знаємо, бо спасеннє від Жидів.
22Gij aanbidt wat gij niet kent; wij aanbidden wat we kennen; want het Heil komt uit de Joden.
23Та прийде час, і вже єсть, що правдиві поклонники поклонять ся Отцеві духом і правдою; Отець бо таких шукає покланяючих ся Йому.
23Maar toch, er komt een uur, en het is er reeds, waarin de ware aanbidders den Vader in geest en waarheid zullen aanbidden. Want de Vader verlangt zulke aanbidders;
24Дух — Бог, і хто покланяєть ся Йому, духом і правдою мусить покланятись.
24God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten in geest en waarheid aanbidden.
25Каже Йому жінка: Знаю, що Месия прийде (званий Христос). Як прийде Він, звістить нам усе.
25De vrouw zeide Hem: Ik weet, dat de Messias komt, (die Christus genoemd wordt); wanneer Die komt, dan zal Hij ons alles verkondigen.
26Рече їй Ісус: Се я, що глаголю тобі.
26Jesus zeide haar: Dat ben Ik, die met u spreek.
27І прийшли на се ученики Його, й дивувались, що Він із жінкою розмовляв; та нїхто не сказав: Чого тобі треба? або: Про що розмовляєш із нею?
27Op dat ogenblik kwamen zijn leerlingen terug, en ze verwonderden zich, dat Hij met een vrouw aan het spreken was. Maar niemand zeide: Wat wenst Gij, of wat bespreekt Gij met haar?
28Покинула тодї відро своє жінка, й пійшла в город, і каже людям:
28De vrouw liet nu haar waterkruik staan, ging naar de stad, en zei tot de mensen:
29Ійдїть подивіть ся на чоловіка, котрий сказав менї все, що я зробила; чи се не Христос?
29Komt eens zien naar een man, die mij alles gezegd heeft wat ik gedaan heb; Hij is misschien wel de Christus!
30Вийшли ж з города, й прийшли до Него.
30En men ging de stad uit, en kwam naar Hem toe.
31Тим часом просили Його ученики: Рави, їж.
31Intussen nodigden de leerlingen Hem uit, en zeiden: Rabbi, eet.
32Він же рече їм: Я маю їжу їсти, котрої ви не знаєте.
32Maar Hij sprak tot hen: Ik heb een spijs te eten, die gij niet kent.
33Казали ж ученики один до одного: Хиба хто принїс Йому їсти?
33De leerlingen zeiden dus tot elkander: Heeft iemand Hem soms iets te eten gebracht?
34Рече їм Ісус: Моя їжа, щоб чинити волю Пославшого мене, й скінчити Його дїло.
34Jesus sprak tot hen: Mijn spijs is, de wil te volbrengen van Hem, die Mij heeft gezonden, en zijn werk te voltooien.
35Хиба ви не кажете: Що ще чотирі місяцї, та й жнива прийдуть? Ось глаголю вам: Здійміть очі ваші, та погляньте на ниви, що вже пополовіли на жнива.
35Zegt gij niet: Nog vier maanden, en dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u: Slaat uw ogen op, en kijkt naar de velden; ze staan reeds wit voor de oogst.
36І приймає жнець плату, й збирає овощ у життє вічнє, щоб і хто сїє радував ся, і хто жне.
36Ook de maaier ontvangt loon, en verzamelt vrucht ten eeuwigen leven, opdat zaaier en maaier zich samen verheugen.
37Бо у сьому слово правдиве: що инший, хто сїє, а инший, хто жне.
37Want hier wordt het spreekwoord bewaarheid: de een zaait, de ander maait.
38Я післав вас жати, коло чого ви не працювали; инші люде працювали, а ви на працю їх увійшли.
38Ik zond u uit, om de oogst binnen te halen, waarvoor gij niet hebt gezwoegd; anderen hebben gezwoegd, en gij krijgt de vrucht van hun werk.
39З города ж того багато увірувало в Него Самарян через слово жінки, сьвідкуючої: Що сказав менї все, що зробила.
39Vele Samaritanen uit die stad geloofden in Hem om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij alles gezegd, wat ik gedaan heb.
40Як же прийшли до Него Самаряне, просили Його зістатись у них; і зіставсь там два днї.
40Toen dus de Samaritanen bij Hem kwamen, verzochten ze Hem, bij hen te blijven. Zo bleef Hij daar twee dagen lang.
41І багато більше увірувало за слово Його.
41En door zijn prediking geloofden er nog veel meer;
42А тій жінцї казали: Що вже не задля твого оповідання віруємо; самі бо чули, й знаємо, що се справдї Спас сьвіту Христос.
42en ze zeiden tot de vrouw: Nu geloven we niet meer op uw zeggen; want we hebben het zelf gehoord, en we weten, dat deze waarachtig de Verlosser der wereld is.
43Через два ж днї вийшов звідтіля та прийшов у Галилею.
43Toen die twee dagen voorbij waren, vertrok Hij vandaar naar Galilea.
44Сам бо Ісус сьвідкував, що пророк у своїй отчинї чести не має.
44Want Jesus zelf heeft verklaard, dat een profeet in zijn eigen vaderland geen aanzien geniet.
45Як же прийшов у Галилею, прийняли Його Галилейцї, бачивши все, що зробив у Єрусалимі на сьвята: бо й вони ходили на сьвята.
45Toen Hij dus in Galilea kwam, namen de Galileërs Hem gunstig op, daar ze alles hadden gezien, wat Hij te Jerusalem op het feest had gedaan; want ook zij waren opgegaan naar het feest.
46Прийшов же Ісус ізнов у Кану Галилейську, де зробив воду вином. І був один царський, котрого син нездужав у Капернаумі.
46Zo kwam Hij dan opnieuw in Kana van Galilea, waar Hij het water in wijn had veranderd. Nu woonde er te Kafárnaum een zekere hofbeambte, wiens zoon ziek lag.
47Сей, почувши, що Ісус прибув із Юдеї в Галилею, прийшов до Него, й благав Його, щоб пійшов та оздоровив сина його, бо мав умерти.
47Toen hij vernam, dat Jesus uit Judea naar Galilea gekomen was, ging hij naar Hem toe, en verzocht Hem, zijn zoon te komen genezen; want die lag op sterven.
48Рече ж Ісус до него: Коли ознак та див не побачите, не увіруєте.
48Maar Jesus sprak tot hem: Zo gij geen tekenen en wonderen ziet, gelooft gij niet.
49Каже до Него царський: Господи, йди перш, нїж умре дитина моя.
49De hofbeambte zei Hem: Heer, kom mee, eer mijn kind dood is.
50Рече йому Ісус: Іди, син твій живий. І увірував чоловік слову, що промовив йому Ісус, і пійшов.
50Jesus sprak tot hem: Ga heen, uw zoon is gezond. De man geloofde het woord, dat Jesus hem zeide, en ging heen.
51Вже ж він ішов, зустріли його слуги його й звістили, кажучи: Що хлопчик твій живий.
51Maar reeds onderweg kwamen zijn dienaars hem tegen en zeiden, dat zijn zoon weer gezond was.
52Спитав же в них про годину, коли полегшало йому. І кажуть йому: Що вчора семої години покинула його горячка.
52Hij vroeg hen naar het uur, waarop de beterschap was ingetreden. Ze zeiden hem: Gisteren, te zeven uur, heeft de koorts hem verlaten.
53Зрозумів же батько, що тієї самої години, котрої сказав йому Ісус: Що син твій живий; і увірував сам і ввесь дім його.
53De vader erkende, dat dit juist het uur was, waarop Jesus hem had gezegd: Uw zoon is gezond. En hij geloofde met heel zijn gezin.
54Се знов другу ознаку зробив Ісус, прийшовши з Юдеї в Галилею.
54Ook dit tweede teken deed Jesus na zijn komst uit Judea in Galilea.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.