Iohannem 4
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ut ergo cognovit Jesus quia audierunt pharisæi quod Jesus plures discipulos facit, et baptizat, quam Joannes
1Zodra de Heer echter vernam, dat de farizeën gehoord hadden, hoe Jesus meer leerlingen won en doopte dan Johannes,
2(quamquam Jesus non baptizaret, sed discipuli ejus),
2(hoewel Jesus zelf niet doopte, maar zijn leerlingen),
3reliquit Judæam, et abiit iterum in Galilæam.
3verliet Hij Judea, en vertrok Hij weer naar Galilea.
4Oportebat autem eum transire per Samariam.
4En daar Hij door Samaria moest reizen,
5Venit ergo in civitatem Samariæ, quæ dicitur Sichar, juxta prædium quod dedit Jacob Joseph filio suo.
5kwam Hij zo in een stad van Samaria, Sikar geheten, nabij het veld, dat Jakob aan zijn zoon Josef geschonken had.
6Erat autem ibi fons Jacob. Jesus ergo fatigatus ex itinere, sedebat sic supra fontem. Hora erat quasi sexta.
6Daar bevond zich ook de bron van Jakob. Jesus, vermoeid van de reis, zette Zich neer bij de bron. Het liep tegen het zesde uur.
7Venit mulier de Samaria haurire aquam. Dicit ei Jesus: Da mihi bibere.
7Een vrouw uit Samaria kwam water putten. Jesus zeide haar: Geef Mij te drinken.
8(Discipuli enim ejus abierant in civitatem ut cibos emerent.)
8Want zijn leerlingen waren naar de stad gegaan, om levensmiddelen te kopen.
9Dicit ergo ei mulier illa Samaritana: Quomodo tu, Judæus cum sis, bibere a me poscis, quæ sum mulier Samaritana? non enim coutuntur Judæi Samaritanis.
9De samaritaanse vrouw zei Hem: Hoe, Gij, een Jood, vraagt te drinken aan mij, een samaritaanse vrouw? (Joden namelijk hebben geen omgang met Samaritanen.)
10Respondit Jesus, et dixit ei: Si scires donum Dei, et quis est qui dicit tibi: Da mihi bibere, tu forsitan petisses ab eo, et dedisset tibi aquam vivam.
10Jesus gaf haar ten antwoord: Zo ge de gave Gods verstondt, en wie het is, die u zegt: “Geef Mij te drinken”, dan zoudt gij het Hem hebben gevraagd, en Hij zou u levend water hebben gegeven.
11Dicit ei mulier: Domine, neque in quo haurias habes, et puteus altus est: unde ergo habes aquam vivam?
11Ze zei Hem: Heer, Gij hebt niet eens een emmer, en de put is diep; waar haalt Gij dan het levend water vandaan?
12Numquid tu major es patre nostro Jacob, qui dedit nobis puteum, et ipse ex eo bibit, et filii ejus, et pecora ejus?
12Zijt Gij soms groter dan onze vader Jakob, die ons de put heeft geschonken, en die er zelf uit dronk met zijn zonen en zijn vee?
13Respondit Jesus, et dixit ei: Omnis qui bibit ex aqua hac, sitiet iterum; qui autem biberit ex aqua quam ego dabo ei, non sitiet in æternum:
13Jesus antwoordde haar: Wie van dit water drinkt, krijgt weer dorst. Maar wie drinkt van het water, dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst meer krijgen;
14sed aqua quam ego dabo ei, fiet in eo fons aquæ salientis in vitam æternam.
14integendeel, het water, dat Ik hem zal geven, zal een bron in hem worden van water, dat opborrelt ten eeuwigen leven.
15Dicit ad eum mulier: Domine, da mihi hanc aquam, ut non sitiam, neque veniam huc haurire.
15De vrouw zeide Hem: Heer, geef me dat water, opdat ik geen dorst meer krijg, en niet meer hier hoef komen putten.
16Dicit ei Jesus: Vade, voca virum tuum, et veni huc.
16Hij sprak tot haar: Ga uw man roepen, en kom hier terug.
17Respondit mulier, et dixit: Non habeo virum. Dicit ei Jesus: Bene dixisti, quia non habeo virum;
17De vrouw antwoordde: Ik heb geen man. Jesus zeide haar: Dat zegt ge wèl: “Ik heb geen man”.
18quinque enim viros habuisti, et nunc, quem habes, non est tuus vir: hoc vere dixisti.
18Want vijf mannen hebt ge gehad, en dien ge nu hebt, is niet uw man; dat hebt ge naar waarheid gezegd.
19Dicit ei mulier: Domine, video quia propheta es tu.
19De vrouw zei Hem: Heer, ik zie, dat Gij een profeet zijt.
20Patres nostri in monte hoc adoraverunt, et vos dicitis, quia Jerosolymis est locus ubi adorare oportet.
20Onze vaderen aanbaden God op deze berg, en gij allen beweert, dat in Jerusalem de plaats is gelegen, waar men Hem aanbidden moet.
21Dicit ei Jesus: Mulier, crede mihi, quia venit hora, quando neque in monte hoc, neque in Jerosolymis adorabitis Patrem.
21Jesus sprak tot haar: Geloof Mij, vrouw; er komt een uur, waarin gij noch op deze berg noch te Jerusalem den Vader zult aanbidden.
22Vos adoratis quod nescitis: nos adoramus quod scimus, quia salus ex Judæis est.
22Gij aanbidt wat gij niet kent; wij aanbidden wat we kennen; want het Heil komt uit de Joden.
23Sed venit hora, et nunc est, quando veri adoratores adorabunt Patrem in spiritu et veritate. Nam et Pater tales quærit, qui adorent eum.
23Maar toch, er komt een uur, en het is er reeds, waarin de ware aanbidders den Vader in geest en waarheid zullen aanbidden. Want de Vader verlangt zulke aanbidders;
24Spiritus est Deus: et eos qui adorant eum, in spiritu et veritate oportet adorare.
24God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten in geest en waarheid aanbidden.
25Dicit ei mulier: Scio quia Messias venit (qui dicitur Christus): cum ergo venerit ille, nobis annuntiabit omnia.
25De vrouw zeide Hem: Ik weet, dat de Messias komt, (die Christus genoemd wordt); wanneer Die komt, dan zal Hij ons alles verkondigen.
26Dicit ei Jesus: Ego sum, qui loquor tecum.
26Jesus zeide haar: Dat ben Ik, die met u spreek.
27Et continuo venerunt discipuli ejus, et mirabantur quia cum muliere loquebatur. Nemo tamen dixit: Quid quæris? aut, Quid loqueris cum ea?
27Op dat ogenblik kwamen zijn leerlingen terug, en ze verwonderden zich, dat Hij met een vrouw aan het spreken was. Maar niemand zeide: Wat wenst Gij, of wat bespreekt Gij met haar?
28Reliquit ergo hydriam suam mulier, et abiit in civitatem, et dicit illis hominibus:
28De vrouw liet nu haar waterkruik staan, ging naar de stad, en zei tot de mensen:
29Venite, et videte hominem qui dixit mihi omnia quæcumque feci: numquid ipse est Christus?
29Komt eens zien naar een man, die mij alles gezegd heeft wat ik gedaan heb; Hij is misschien wel de Christus!
30Exierunt ergo de civitate et veniebant ad eum.
30En men ging de stad uit, en kwam naar Hem toe.
31Interea rogabant eum discipuli, dicentes: Rabbi, manduca.
31Intussen nodigden de leerlingen Hem uit, en zeiden: Rabbi, eet.
32Ille autem dicit eis: Ego cibum habeo manducare, quem vos nescitis.
32Maar Hij sprak tot hen: Ik heb een spijs te eten, die gij niet kent.
33Dicebant ergo discipuli ad invicem: Numquid aliquis attulit ei manducare?
33De leerlingen zeiden dus tot elkander: Heeft iemand Hem soms iets te eten gebracht?
34Dicit eis Jesus: Meus cibus est ut faciam voluntatem ejus qui misit me, ut perficiam opus ejus.
34Jesus sprak tot hen: Mijn spijs is, de wil te volbrengen van Hem, die Mij heeft gezonden, en zijn werk te voltooien.
35Nonne vos dicitis quod adhuc quatuor menses sunt, et messis venit? Ecce dico vobis: levate oculos vestros, et videte regiones, quia albæ sunt jam ad messem.
35Zegt gij niet: Nog vier maanden, en dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u: Slaat uw ogen op, en kijkt naar de velden; ze staan reeds wit voor de oogst.
36Et qui metit, mercedem accipit, et congregat fructum in vitam æternam: ut et qui seminat, simul gaudeat, et qui metit.
36Ook de maaier ontvangt loon, en verzamelt vrucht ten eeuwigen leven, opdat zaaier en maaier zich samen verheugen.
37In hoc enim est verbum verum: quia alius est qui seminat, et alius est qui metit.
37Want hier wordt het spreekwoord bewaarheid: de een zaait, de ander maait.
38Ego misi vos metere quod vos non laborastis: alii laboraverunt, et vos in labores eorum introistis.
38Ik zond u uit, om de oogst binnen te halen, waarvoor gij niet hebt gezwoegd; anderen hebben gezwoegd, en gij krijgt de vrucht van hun werk.
39Ex civitate autem illa multi crediderunt in eum Samaritanorum, propter verbum mulieris testimonium perhibentis: Quia dixit mihi omnia quæcumque feci.
39Vele Samaritanen uit die stad geloofden in Hem om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij alles gezegd, wat ik gedaan heb.
40Cum venissent ergo ad illum Samaritani, rogaverunt eum ut ibi maneret. Et mansit ibi duos dies.
40Toen dus de Samaritanen bij Hem kwamen, verzochten ze Hem, bij hen te blijven. Zo bleef Hij daar twee dagen lang.
41Et multo plures crediderunt in eum propter sermonem ejus.
41En door zijn prediking geloofden er nog veel meer;
42Et mulieri dicebant: Quia jam non propter tuam loquelam credimus: ipsi enim audivimus, et scimus quia hic est vere Salvator mundi.
42en ze zeiden tot de vrouw: Nu geloven we niet meer op uw zeggen; want we hebben het zelf gehoord, en we weten, dat deze waarachtig de Verlosser der wereld is.
43Post duos autem dies exiit inde, et abiit in Galilæam.
43Toen die twee dagen voorbij waren, vertrok Hij vandaar naar Galilea.
44Ipse enim Jesus testimonium perhibuit, quia propheta in sua patria honorem non habet.
44Want Jesus zelf heeft verklaard, dat een profeet in zijn eigen vaderland geen aanzien geniet.
45Cum ergo venisset in Galilæam, exceperunt eum Galilæi, cum omnia vidissent quæ fecerat Jerosolymis in die festo: et ipsi enim venerant ad diem festum.
45Toen Hij dus in Galilea kwam, namen de Galileërs Hem gunstig op, daar ze alles hadden gezien, wat Hij te Jerusalem op het feest had gedaan; want ook zij waren opgegaan naar het feest.
46Venit ergo iterum in Cana Galilææ, ubi fecit aquam vinum. Et erat quidam regulus, cujus filius infirmabatur Capharnaum.
46Zo kwam Hij dan opnieuw in Kana van Galilea, waar Hij het water in wijn had veranderd. Nu woonde er te Kafárnaum een zekere hofbeambte, wiens zoon ziek lag.
47Hic cum audisset quia Jesus adveniret a Judæa in Galilæam, abiit ad eum, et rogabat eum ut descenderet, et sanaret filium ejus: incipiebat enim mori.
47Toen hij vernam, dat Jesus uit Judea naar Galilea gekomen was, ging hij naar Hem toe, en verzocht Hem, zijn zoon te komen genezen; want die lag op sterven.
48Dixit ergo Jesus ad eum: Nisi signa et prodigia videritis, non creditis.
48Maar Jesus sprak tot hem: Zo gij geen tekenen en wonderen ziet, gelooft gij niet.
49Dicit ad eum regulus: Domine, descende priusquam moriatur filius meus.
49De hofbeambte zei Hem: Heer, kom mee, eer mijn kind dood is.
50Dicit ei Jesus: Vade, filius tuus vivit. Credidit homo sermoni quem dixit ei Jesus, et ibat.
50Jesus sprak tot hem: Ga heen, uw zoon is gezond. De man geloofde het woord, dat Jesus hem zeide, en ging heen.
51Jam autem eo descendente, servi occurrerunt ei, et nuntiaverunt dicentes, quia filius ejus viveret.
51Maar reeds onderweg kwamen zijn dienaars hem tegen en zeiden, dat zijn zoon weer gezond was.
52Interrogabat ergo horam ab eis in qua melius habuerit. Et dixerunt ei: Quia heri hora septima reliquit eum febris.
52Hij vroeg hen naar het uur, waarop de beterschap was ingetreden. Ze zeiden hem: Gisteren, te zeven uur, heeft de koorts hem verlaten.
53Cognovit ergo pater, quia illa hora erat in qua dixit ei Jesus: Filius tuus vivit; et credidit ipse et domus ejus tota.
53De vader erkende, dat dit juist het uur was, waarop Jesus hem had gezegd: Uw zoon is gezond. En hij geloofde met heel zijn gezin.
54Hoc iterum secundum signum fecit Jesus, cum venisset a Judæa in Galilæam.
54Ook dit tweede teken deed Jesus na zijn komst uit Judea in Galilea.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.