Ioane 17
Meriam Mir GospelsTranslation
Meriam Mir Gospels
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Iesu abele gaire mer detaut; a E kotor dimirualu, a detaut, kega, Baba, kerker tabarki; mara Uerem despili, ueakai Uermet mari naospili.
1Zo sprak Jesus. Toen sloeg Hij zijn ogen ten hemel en zeide: Vader, het uur is gekomen; verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijke.
2Mokakalam mama abi sirdam ikuar tumem gaire le uridili, ueakai E ko uiabi ikuar eded aseamur kak, gaire le mama abi ikuar.
2Want Gij hebt Hem macht gegeven over alle vlees, om het eeuwige leven te schenken aan allen, die Gij Hem gegeven hebt.
3Abele eded aseamur kak, kega, Uiaba ko mari nasmereda Ade kar netat, a Iesu Keriso mama namarida.
3Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enig waarachtigen God, en Hem dien Gij gezonden hebt, Jesus Christus.
4Kaka emetu mari naospili geseb ge, kaka emetu eseamuda abele dorge ma kari nakuar ko akere.
4Ik heb U verheerlijkt op aarde door het werk te volbrengen, dat Gij Mij hebt opgedragen.
5Baba, peirdi, kari naospili mara kemem zorom ge meribielam emeret ge, nole geseb kak.
5En nu Vader, verheerlijk Mij bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U bezat, eer de wereld bestond.
6Kaka emetu mara nei etomeret uiabim gaire le mama kari nakuar geseplam: uiaba mara le, mama uiaba kari nakuar: uiaba emetu mara mer irmili.
6Ik heb uw naam bekend gemaakt aan de mensen, die Gij Mij gegeven hebt uit de wereld. Ze waren de uwen; maar Gij hebt ze Mij gegeven, en ze hebben uw woord onderhouden.
7Peirdi, uiaba umele marielam gaire lu uridili ma kari nakuar:
7Nu weten ze, dat alwat Gij Mij hebt gegeven, van U afkomstig is.
8Abelelam kaka emetu uiabim ikuar gaire mer ma kari nakuar: uiaba emetu egaret, a uiaba umele marielam kaka nabue, a uiaba egaret, kega, Mama kari namarida.
8Want Ik heb hun de woorden gebracht, die Gij Mij hebt gegeven; zij namen ze aan, erkenden naar waarheid, dat Ik van U ben uitgegaan, en geloofden, dat Gij Mij gezonden hebt.
9Kaka uiabielam esorerapare: kaka nole esorerapare uiabielam gesepem, epe uiaba mama kari nakuar, abelelam uiaba mara le:
9Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor hen, die Gij Mij hebt gegeven, omdat ze de uwen zijn.
10A gaire kara lu uridili mara lu, a gaire mara lu kara lu; kaka aule uiabielam.
10Al het mijne is het uwe, en het uwe het mijne; Ik ben verheerlijkt in hen.
11Peirdi, kaka nole geseb ge emri, epe uiaba geseb ge emri, a kai marim nabakeamulu. Zogozogo Aba, uiabi asesered mara nei ge, abele uiaba ma kari nakuar, ueakai uiaba netat, meribi kaiser.
11Voortaan ben Ik niet meer in de wereld; maar zij blijven in de wereld, terwijl Ik tot U kom. Heilige Vader, bewaar hen in uw naam, die Gij Mij hebt gegeven; opdat ze één mogen zijn, zoals Wij.
12Kaka mena uiabi dog geseb ge, kaka uiabi nasesered mara nei ge: kaka uiabi nasesered mama kari nakuar, nole nerute abi kak, eud uerem tepteb abi; ueakai bakedida abele zogo mer emetu detali.
12Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik ze in uw naam, die Gij Mij hebt gegeven; Ik heb gewaakt over hen, en niemand van hen ging verloren dan de zoon van verderf; opdat de Schrift zou worden vervuld.
13Peirdi, kai marim nabakeamulu: kaka detaut abele mer abele geseb ge, ueakai kara sererge bakedida uiaba nerkep.
13Maar nu kom Ik tot U. Terwijl Ik nog in de wereld ben, zeg Ik dit alles, opdat ze mijn vreugde ten volle in zich zouden bezitten.
14Kaka emetu mara mer uiabim nakuarare; a geseb uiabi derarti, abelelam uiaba nole geseplam, mokakalam kaka nole geseplam.
14Ik heb hun uw woord gegeven; en de wereld is hen gaan haten, omdat ze niet van de wereld zijn, zoals ook Ik niet van de wereld ben.
15Kaka nole mari namos ko uiabi egaret geseplam, epe mamoro mama uiabi nasesered adudelam.
15Ik vraag niet, dat Gij ze uit de wereld wegneemt, maar dat Gij ze bewaart voor het kwaad.
16Uiaba nole geseb le, kara kaiser nole gesep le.
16Van de wereld zijn ze niet, zoals Ik niet van de wereld ben.
17Uiabim barkakem ikeli mara ageakar de; ageakar mara mer.
17Heilig hen in de waarheid; uw woord is waarheid.
18Mokakalam mama kari gesepem namarida, mokakalam kaka uiabi gesepem namarida.
18Zoals Gij Mij in de wereld hebt gezonden, zo heb Ik ook hen in de wereld gezonden.
19Kaka karababu ikuar uiabim, ueakai, uiaba barkakem ikeli ageakar de.
19En Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij in waarheid geheiligd mogen zijn.
20Kaka nole esorerapare uiabim tepteb, epe uiabim ko kari oituli uiaba merlam:
20Ik bid niet voor hen alleen, maar ook voor allen, die door hun woord in Mij geloven.
21Ueakai ui uridili netat; mara kaiser Baba muige kara nerkep, a kaka muige mara nerkep ge, ueakai uiaba netat meribi koreb: ueakai geseb ko oituli ma kari namarida.
21Mogen ze allen één zijn, gelijk Gij, Vader, het zijt in Mij, en Ik in U; mogen ze ook één zijn in Ons, opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.
22Abele zoromzorom ma kari nakuar, kaka emetu uiabi nakuarare, ueakai uiaba netat, meribi koreb netat:
22En de glorie, die Gij Mij hebt gegeven, heb ook Ik aan hen gegeven, opdat ze één zouden zijn, gelijk Wij één zijn:
23Kaka muige uiabi nerkep ge, a mama muige kara nerkep ge, ueakai uiaba netat: ueakai gesep umele mama kari namarida, a uiabi omare, abkoreb mama kari omare.
23Ik in hen, en Gij in Mij. Mogen ze volmaakte eenheid bezitten, opdat de wereld erkenne, dat Gij Mij hebt gezonden, en dat Gij hen hebt bemind, gelijk Gij Mij hebt liefgehad.
24Baba, kaka lagelag uiaba mama kari nakuar ko kari kemem emri kara uteb ge; ueakai uiaba kara zorom dasmerare abele mama de kari nakuar; abelelam ma kari omare emeret, a nole geseb aker kak.
24Vader, Ik wil, dat zij, die Gij Mij hebt gegeven, met Mij mogen zijn, waar Ikzelf ben; dat ze mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij hebt gegeven, omdat Gij Mij hebt liefgehad vóór de grondlegging der wereld.
25Geseb ge nole mari opasereret kak, Aba barkak: epe kaka mari opasereret, a uiaba umele mama kari namarida.
25Gerechte Vader, wel heeft de wereld U niet gekend, maar Ik heb U gekend; en zij hebben erkend, dat Gij Mij hebt gezonden.
26Kaka emetu mara nei uiabim etomeret; kaka iako etomeret; ueakai omare nagri uiaba nerkep, abkoreb mama kari omare, a kaka muige uiaba nerkep ge.
26Ik heb aan hen uw naam bekend gemaakt, en zal dit blijven doen, opdat de liefde, waarmee Gij Mij hebt bemind, in hen moge zijn, en Ik in hen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.