Ioane 9
Meriam Mir GospelsTranslation
Meriam Mir Gospels
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Iesu ekas idimirki, E dasmer nerute le sadamer kerker ge osmelu.
1En in het voorbijgaan zag Hij iemand, die blind was van zijn geboorte af.
2Abara kaimeg giz abi nautmerare, kega, Rabi, nete adud, E dali, nako abara aba a apu, abelelam E esmelu sadamer?
2Zijn leerlingen vroegen Hem: Rabbi, wie heeft gezondigd, hij of zijn ouders, dat hij blind werd geboren?
3Iesu detaut, kega, E nole adud, a abara aba a apu nolea: epe Ade ra dorge abi tumge etomeret.
3Jesus antwoordde: Noch hij noch zijn ouders hebben gezondigd; maar de werken Gods moeten in hem worden geopenbaard.
4Meriba dorge ko ikerare abara dorge, kari namarida, gerger ge; ki ko tabarki, nole le umer kak dorge ikeli.
4Zolang het dag is, moet Ik de werken verrichten van Hem, die Mij heeft gezonden; er komt een nacht, waarin niemand werken kan.
5Kaka geseb datki, abele kerker kaka geseb ge emri.
5Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld.
6E emetu detager abele, E mos ekeilu gesepem, a sep mog detagem moselam, abara pone asauem,
6Na deze woorden spuwde Hij op de grond, maakte slijk van het speeksel, streek hem het slijk op de ogen,
7A abi detager, kega, Bakeam, dirup Siloam keper (tonar abele nei, Namarida). E bakeam, a dirup, iako tabakeam mamoro dasmer.
7en sprak tot hem: Ga u wassen in de vijver van Siloë (dat betekent: Gezonden). Hij ging er heen, waste zich, en kwam ziende terug.
8Abara boai, pako gaire le, emeret abi dasmer sadamer, uiaba detager, kega, Nako nole E dali lugem bamos?
8Zijn buren nu, en zij die hem vroeger als bedelaar hadden gekend, zeiden: Is dat niet de man, die zat te bedelen?
9Uader detager, kega, Eko, E dali: a uader, kega, Nolea, E abi kaise. E detager, kega, Kakanali.
9Sommigen zeiden: Hij is het. Anderen weer: Neen, hij lijkt op hem. Zelf zei hij: Ik ben het.
10Uiaba abi detager, kega, Nako abele tonar mara neisi pone diski?
10Men zei hem dus: Hoe zijn dan uw ogen open gegaan?
11E detaut, kega, Abele le, nei atker Iesu, sep mog detagem, a kara neisi pone asauem, a kari natager, kega, Bakeam Siloamem, a dirup: kaka bakeam, a dirup, epe kaka bakaerti.
11Hij antwoordde: De man, die Jesus heet, maakte slijk, bestreek er mijn ogen mee, en sprak tot Mij: Ga naar de vijver van Siloë, en was u. Ik ging dus, waste mij, en kon zien.
12Uiaba abi detager, kega, E nade? E detaut, kega, Kaka umer kak.
12Men zeide hem: Waar is Hij? Hij antwoordde: Dat weet ik niet.
13Uiaba emeret sadamer le tegardare uiabim Faresaio giz.
13Toen bracht men den gewezen blinde naar de farizeën.
14Abele sabath ge Iesu sep mog detagem, a abara neisi pone diski.
14Nu was het die dag juist een sabbat, toen Jesus slijk had gemaakt en hem de ogen had geopend.
15Faresaio giz iako abim bautumer, kega, Nako tonar ma bakaerti? E uiabim detaut, kega, E sep mog kara neisi pone asauem, kaka dirup, epe bakaerti.
15Ook de farizeën ondervroegen hem, hoe hij het gezicht had teruggekregen. Hij sprak tot hen: Hij deed slijk op mijn ogen, ik waste mij, en ik zie.
16Uader Faresaio giz detager, kega, Abele le nole Adelam, E nole sabath irmili. Uader detaut, kega, Nako, adud le umele ikeli gaire atamelam mokakalam? Uiaba nakesmulu.
16Sommigen van de farizeën zeiden: Die man komt niet van God, want Hij houdt de sabbat niet. Maar anderen zeiden: Hoe kan een zondig mens zulke wonderen doen? En er ontstond onenigheid onder hen.
17Uiaba iako sadamer detaut, kega, Nako mara mer abim, abelelam E mara neisi pone diski? E detager, kega, E perofeta.
17Men ondervroeg dus den blinde opnieuw: Wat zegt ge zelf van Hem, nu Hij u de ogen geopend heeft? Hij sprak: Hij is een profeet.
18Iudaia giz nole egaret abele tonar emeret E sadamer le, a peirdi bakaerti, uiaba kekiam abara aba a apu dabgeri,
18Maar nu geloofden de Joden niet, dat hij blind was geweest, en het gezicht had teruggekregen, voordat ze de ouders van den genezene hadden ontboden.
19A uiaba nautumer, kega, Nako, uaba uerem idali sadamer esmelu? Nalu tonarlam E bakaerti peirdi?
19Ze ondervroegen hen: Is dit uw zoon, die naar gij zegt, blind is geboren? Hoe ziet hij dan nu?
20Abara aba a apu uiabim detaut, kega, Ki umele keriba uerem peik, a E sadamer esmeda:
20Zijn ouders gaven ten antwoord: We weten, dat dit onze zoon is, en dat hij blind is geboren.
21Epe ki umer kak nalugelam peirdi E bakaerti; a ki umer kak nete de abara neisi pone diski: E aule, abi itmer; E umele tababu detaut.
21Maar hoe hij zien kan, dat weten we niet; of wie zijn ogen geopend heeft, we weten het niet. Vraagt het hemzelf; hij is meerderjarig, en zal zich zelf wel verantwoorden.
22Abara aba a apu abele detaut, abelelam uiaba Iudaia giz geum: Iudaia giz netate mer, kega, Ese nerute le abi abeilu Keriso pedali, uiaba ko abi imuare sunagolam.
22Zo spraken zijn ouders uit vrees voor de Joden; want reeds waren de Joden overeengekomen, om iedereen uit de synagoge te bannen, die Hem als den Christus beleed.
23Abelelam abara aba a apu detager, kega, E aule; abi itmer.
23Daarom zeiden zijn ouders: Hij is meerderjarig; ondervraagt hemzelf.
24Uiaba iako neisi dabgeri abele sadamer le, a abi detager, kega, Ade despili: keriba umele adud le dali.
24Opnieuw riepen ze nu den gewezen blinde, en zeiden tot hem: Geef eer aan God; wij weten, dat die man een zondaar is.
25E detaut, kega, Ese E adud le, kaka umer kak: netate lu kaka umele, emeret kaka sadamer, a peirdi kaka bakaerti.
25Hij antwoordde: Of Hij een zondaar is, weet ik niet. Eén ding weet ik: dat ik blind was, en nu zie.
26Uiaba iako abi detaut, kega, Nalu E ikeli marim? nalugem E mara neisi pone diskilu?
26Ze zeiden hem dan: Wat heeft Hij met u gedaan? Hoe heeft Hij u de ogen geopend?
27E uiabim detaut, kega, Kaka emetu uabi detager, a uaba nole asor kak: epe nako uaba lagelag ko abara memeg le?
27Hij antwoordde hun: Ik heb het u al gezegd, maar gij hebt niet geluisterd. Waarom wilt gij het nog eens horen? Wilt gij ook soms zijn leerlingen worden?
28Uiaba adud mer abim, a detaut, kega, Mama abara memeg le; mamoro keriba Mose ra memeg le.
28Ze zeiden hem honend: Gijzelf zijt een leerling van Hem; wij blijven leerlingen van Moses.
29Keriba umele Ade Mose detaut: epe ki umer kak nagelam abele le dali.
29We weten, dat God tot Moses gesproken heeft; maar waar Deze vandaan is, dat weten we niet.
30Abele le uiabim detaut, kega, Dame lu peik, uaba nole umer kak E nagelam, a E emetu kara neisi pone diski.
30De man antwoordde hun: Het is toch wel wonderlijk, dat gij niet weet, waar Hij vandaan is; en Hij heeft mij nog wel de ogen geopend.
31Meriba umele Ade nole adud le asoli: ese nerute le Adim esorerapare, pako abara dorge ikeli, E ko abi asoli.
31We weten toch, dat God geen zondaars verhoort, maar hem alleen, die godvrezend is en zijn wil volbrengt.
32Netede asoli emeret ge nerute le umele diski neisi pone abele le sadamer teosmelu?
32Nooit in der eeuwigheid is het gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend.
33Ese nole Adelam abele le, E nole umer kak nerute lu ikeli.
33Als Hij niet van God kwam, zou Hij niets kunnen doen.
34Uiaba abi detaut, kega, Ma eosmeda uitelam, nako ma keribi okadeskeda? Uiaba abi imuare.
34Ze antwoordden hem: In zonden zijt ge geboren van boven tot onder; en ge leest ons de les? En ze wierpen hem buiten.
35Iesu asoli uiaba emetu abi imuare; E abi erdali, a abi detager, kega, Nako, ma Ade ra Uerem oituli?
35Jesus vernam, dat men hem buiten geworpen had; en toen Hij hem aantrof, sprak Hij tot hem: Gelooft ge in den Mensenzoon?
36E detaut, kega, Opole, nete dali, ueakai kaka ko abi oituli?
36Hij antwoordde: Wie is het, Heer; dan zal ik in Hem geloven.
37Iesu abi detaut, kega, Ma abi umele, a E dali mari mer atagere.
37Jesus sprak tot hem: Ge hebt Hem gezien; Hij is het, die met u spreekt.
38E detaut, kega, Opole ae, kaka oituli. E abi esorgiru.
38Toen zei hij: Heer, ik geloof. En hij wierp zich voor Hem neer.
39Iesu detager, kega, Kaka geseb ge tabarki ko barditug, ueakai bakaerti gaire le asmer kak; epe gaire le dasmer ko sadamer.
39En Jesus sprak: Tot dit vonnis ben Ik in deze wereld gekomen: dat de blinden zouden zien, en de zienden blind zouden worden.
40Uader Faresaio giz abi dog asoli abele, uiaba abi detautare, kega, Nako, keriba ko sadamer?
40Enige farizeën, die bij Hem waren, hoorden dit, en zeiden Hem: Zijn ook wij soms blind?
41Iesu uiabim detaut, kega, Ese uaba sadamer, uaba nole adud nagri; epe uaba detager, kega, Keriba dasmer: uaba uit mena dali.
41Jesus sprak tot hen: Als gij blind waart, hadt gij geen zonde; maar nu gij zegt: We zien; nu blijft uw zonde.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.