یوحنا 9
Old Persian Version (ترجمه قدیم)Translation
Old Persian Version (ترجمه قدیم)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1و وقتی که میرفت کوری مادرزاد دید.
1En in het voorbijgaan zag Hij iemand, die blind was van zijn geboorte af.
2وشاگردانش از او سوال کرده، گفتند: «ای استاد گناه که کرد، این شخص یا والدین او که کورزاییده شد؟»
2Zijn leerlingen vroegen Hem: Rabbi, wie heeft gezondigd, hij of zijn ouders, dat hij blind werd geboren?
3عیسی جواب داد که «گناه نه این شخص کرد و نه پدر و مادرش، بلکه تا اعمال خدادر وی ظاهر شود.
3Jesus antwoordde: Noch hij noch zijn ouders hebben gezondigd; maar de werken Gods moeten in hem worden geopenbaard.
4مادامی که روز است، مرا بایدبهکارهای فرستنده خود مشغول باشم. شب میآید که در آن هیچکس نمی تواند کاری کند.
4Zolang het dag is, moet Ik de werken verrichten van Hem, die Mij heeft gezonden; er komt een nacht, waarin niemand werken kan.
5مادامی که در جهان هستم، نور جهانم.»
5Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld.
6این راگفت و آب دهان بر زمین انداخته، از آب گل ساخت و گل را به چشمان کور مالید،
6Na deze woorden spuwde Hij op de grond, maakte slijk van het speeksel, streek hem het slijk op de ogen,
7و بدوگفت: «برو در حوض سیلوحا (که بهمعنی مرسل است ) بشوی.» پس رفته شست و بینا شده، برگشت.
7en sprak tot hem: Ga u wassen in de vijver van Siloë (dat betekent: Gezonden). Hij ging er heen, waste zich, en kwam ziende terug.
8پس همسایگان و کسانی که او را پیش از آن در حالت کوری دیده بودند، گفتند: «آیا این آن نیست که مینشست و گدایی میکرد؟»
8Zijn buren nu, en zij die hem vroeger als bedelaar hadden gekend, zeiden: Is dat niet de man, die zat te bedelen?
9بعضی گفتند: «همان است.» و بعضی گفتند: «شباهت بدودارد.» او گفت: «من همانم.»
9Sommigen zeiden: Hij is het. Anderen weer: Neen, hij lijkt op hem. Zelf zei hij: Ik ben het.
10بدو گفتند: «پس چگونه چشمان تو بازگشت؟»
10Men zei hem dus: Hoe zijn dan uw ogen open gegaan?
11او جواب داد: «شخصی که او را عیسی میگویند، گل ساخت وبر چشمان من مالیده، به من گفت به حوض سیلوحا برو و بشوی. آنگاه رفتم و شسته بیناگشتم.»
11Hij antwoordde: De man, die Jesus heet, maakte slijk, bestreek er mijn ogen mee, en sprak tot Mij: Ga naar de vijver van Siloë, en was u. Ik ging dus, waste mij, en kon zien.
12به وی گفتند: «آن شخص کجا است؟» گفت: «نمی دانم.»
12Men zeide hem: Waar is Hij? Hij antwoordde: Dat weet ik niet.
13پس او را که پیشتر کور بود، نزد فریسیان آوردند.
13Toen bracht men den gewezen blinde naar de farizeën.
14و آن روزی که عیسی گل ساخته، چشمان او را باز کرد روز سبت بود.
14Nu was het die dag juist een sabbat, toen Jesus slijk had gemaakt en hem de ogen had geopend.
15آنگاه فریسیان نیز از او سوال کردند که «چگونه بیناشدی؟» بدیشان گفت: «گل به چشمهای من گذارد. پس شستم و بینا شدم.»
15Ook de farizeën ondervroegen hem, hoe hij het gezicht had teruggekregen. Hij sprak tot hen: Hij deed slijk op mijn ogen, ik waste mij, en ik zie.
16بعضی ازفریسیان گفتند: «آن شخص از جانب خدا نیست، زیرا که سبت را نگاه نمی دارد.» دیگران گفتند: «چگونه شخص گناهکار میتواند مثل این معجزات ظاهر سازد.» و در میان ایشان اختلاف افتاد.
16Sommigen van de farizeën zeiden: Die man komt niet van God, want Hij houdt de sabbat niet. Maar anderen zeiden: Hoe kan een zondig mens zulke wonderen doen? En er ontstond onenigheid onder hen.
17باز بدان کور گفتند: «تو درباره او چه میگویی که چشمان تو را بینا ساخت؟» گفت: «نبی است.»
17Men ondervroeg dus den blinde opnieuw: Wat zegt ge zelf van Hem, nu Hij u de ogen geopend heeft? Hij sprak: Hij is een profeet.
18لیکن یهودیان سرگذشت او را باور نکردندکه کور بوده و بینا شده است، تا آنکه پدر و مادرآن بینا شده را طلبیدند.
18Maar nu geloofden de Joden niet, dat hij blind was geweest, en het gezicht had teruggekregen, voordat ze de ouders van den genezene hadden ontboden.
19و از ایشان سوال کرده، گفتند: «آیا این است پسر شما که میگویید کورمتولد شده؟ پس چگونه الحال بینا گشته است؟»
19Ze ondervroegen hen: Is dit uw zoon, die naar gij zegt, blind is geboren? Hoe ziet hij dan nu?
20پدر و مادر او در جواب ایشان گفتند: «میدانیم که این پسر ما است و کور متولد شده.
20Zijn ouders gaven ten antwoord: We weten, dat dit onze zoon is, en dat hij blind is geboren.
21لیکن الحال چطور میبیند، نمی دانیم ونمی دانیم که چشمان او را باز نموده. او بالغ است از وی سوال کنید تا او احوال خود را بیان کند.»
21Maar hoe hij zien kan, dat weten we niet; of wie zijn ogen geopend heeft, we weten het niet. Vraagt het hemzelf; hij is meerderjarig, en zal zich zelf wel verantwoorden.
22پدر و مادر او چنین گفتند زیرا که از یهودیان میترسیدند، از آنرو که یهودیان با خود عهد کرده بودند که هرکه اعتراف کند که او مسیح است، ازکنیسه بیرونش کنند.
22Zo spraken zijn ouders uit vrees voor de Joden; want reeds waren de Joden overeengekomen, om iedereen uit de synagoge te bannen, die Hem als den Christus beleed.
23و از اینجهت والدین اوگفتند: «او بالغ است از خودش بپرسید.»
23Daarom zeiden zijn ouders: Hij is meerderjarig; ondervraagt hemzelf.
24پس آن شخص را که کور بود، باز خوانده، بدو گفتند: «خدا را تمجید کن. ما میدانیم که این شخص گناهکار است.»
24Opnieuw riepen ze nu den gewezen blinde, en zeiden tot hem: Geef eer aan God; wij weten, dat die man een zondaar is.
25او جواب داد اگرگناهکار است نمی دانم. یک چیز میدانم که کوربودم و الان بینا شدهام.»
25Hij antwoordde: Of Hij een zondaar is, weet ik niet. Eén ding weet ik: dat ik blind was, en nu zie.
26باز بدو گفتند: «با توچه کرد و چگونه چشمهای تو را باز کرد؟»
26Ze zeiden hem dan: Wat heeft Hij met u gedaan? Hoe heeft Hij u de ogen geopend?
27ایشان را جواب داد که «الان به شما گفتم. نشنیدید؟ و برای چه باز میخواهید بشنوید؟ آیاشما نیز اراده دارید شاگرد او بشوید؟»
27Hij antwoordde hun: Ik heb het u al gezegd, maar gij hebt niet geluisterd. Waarom wilt gij het nog eens horen? Wilt gij ook soms zijn leerlingen worden?
28پس اورا دشنام داده، گفتند: «تو شاگرد او هستی. ماشاگرد موسی میباشیم.
28Ze zeiden hem honend: Gijzelf zijt een leerling van Hem; wij blijven leerlingen van Moses.
29ما میدانیم که خدا باموسی تکلم کرد. اما این شخص را نمی دانیم ازکجا است.»
29We weten, dat God tot Moses gesproken heeft; maar waar Deze vandaan is, dat weten we niet.
30آن مرد جواب داده، بدیشان گفت: «این عجب است که شما نمی دانید از کجا است وحال آنکه چشمهای مرا باز کرد.
30De man antwoordde hun: Het is toch wel wonderlijk, dat gij niet weet, waar Hij vandaan is; en Hij heeft mij nog wel de ogen geopend.
31و میدانیم که خدا دعای گناهکاران را نمی شنود؛ و لیکن اگرکسی خداپرست باشد و اراده او را بهجا آرد، او رامی شنود.
31We weten toch, dat God geen zondaars verhoort, maar hem alleen, die godvrezend is en zijn wil volbrengt.
32از ابتدای عالم شنیده نشده است که کسی چشمان کور مادرزاد را باز کرده باشد.
32Nooit in der eeuwigheid is het gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend.
33اگر این شخص از خدا نبودی، هیچ کارنتوانستی کرد.»
33Als Hij niet van God kwam, zou Hij niets kunnen doen.
34در جواب وی گفتند: «تو به کلی با گناه متولد شدهای. آیا تو ما را تعلیم میدهی؟» پس او را بیرون راندند.
34Ze antwoordden hem: In zonden zijt ge geboren van boven tot onder; en ge leest ons de les? En ze wierpen hem buiten.
35عیسی چون شنید که او را بیرون کردهاند، وی را جسته گفت: «آیا تو به پسر خدا ایمان داری؟»
35Jesus vernam, dat men hem buiten geworpen had; en toen Hij hem aantrof, sprak Hij tot hem: Gelooft ge in den Mensenzoon?
36او در جواب گفت: «ای آقا کیست تا به او ایمان آورم؟»
36Hij antwoordde: Wie is het, Heer; dan zal ik in Hem geloven.
37عیسی بدو گفت: «تو نیز او رادیدهای و آنکه با تو تکلم میکند همان است.»
37Jesus sprak tot hem: Ge hebt Hem gezien; Hij is het, die met u spreekt.
38گفت: «ای خداوند ایمان آوردم.» پس او راپرستش نمود.
38Toen zei hij: Heer, ik geloof. En hij wierp zich voor Hem neer.
39آنگاه عیسی گفت: «من در این جهان بجهت داوری آمدم تا کوران بینا و بینایان، کور شوند.»
39En Jesus sprak: Tot dit vonnis ben Ik in deze wereld gekomen: dat de blinden zouden zien, en de zienden blind zouden worden.
40بعضی از فریسیان که با او بودند، چون این کلام را شنیدند گفتند: «آیا ما نیز کورهستیم؟»
40Enige farizeën, die bij Hem waren, hoorden dit, en zeiden Hem: Zijn ook wij soms blind?
41عیسی بدیشان گفت: «اگر کورمی بودید گناهی نمی داشتید و لکن الان میگوییدبینا هستیم. پس گناه شما میماند.
41Jesus sprak tot hen: Als gij blind waart, hadt gij geen zonde; maar nu gij zegt: We zien; nu blijft uw zonde.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.