ارمیا
Chapter 1
Old Persian Version (ترج…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Old Persian Version (ترجمه قدیم)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1کلام ارمیا ابن حلقیا از کاهنانی که درعناتوت در زمین بنیامین بودند.
1De prediking van Jeremias, den zoon van Chilkijáhoe, uit het priestergeslacht van Anatot in het land van Benjamin.
2که کلام خداوند در ایام یوشیا ابن آمون پادشاه یهودا درسال سیزدهم از سلطنت او بر وی نازل شد.
2Tot hem werd het woord van Jahweh gericht in het dertiende jaar der regering van Josias, den zoon van Amon en koning van Juda.
3و درایام یهویاقیم بن یوشیا پادشاه یهودا تا آخر سال یازدهم صدقیا ابن یوشیا پادشاه یهودا نازل می‌شد تا زمانی که اورشلیم در ماه پنجم به اسیری برده شد.
3En het bleef gericht onder de regering van Jojakim, den zoon van Josias en koning van Juda, tot het einde van het elfde jaar van Sedekias, den zoon van Josias en koning van Juda, totdat Jerusalem in de vijfde maand in ballingschap ging.
4پس کلام خداوند بر من نازل شده، گفت:
4Het woord van Jahweh werd tot mij gericht:
5«قبل از آنکه تو را در شکم صورت بندم تو راشناختم و قبل از بیرون آمدنت از رحم تو راتقدیس نمودم و تو را نبی امت‌ها قرار دادم.»
5Voordat Ik u in de moederschoot vormde, kende Ik u; Eer ge geboren werdt, heiligde Ik u, En bestemde Ik u tot profeet voor de volken!
6پس گفتم: «آه‌ای خداوند یهوه اینک من تکلم کردن را نمی دانم چونکه طفل هستم.»
6Ik zeide: Ach, Jahweh, mijn Heer: Zie, ik kan nog niet spreken, Ik ben maar een kind!
7اماخداوند مرا گفت: «مگو من طفل هستم، زیرا هرجایی که تو را بفرستم خواهی رفت و بهر‌چه تورا امر فرمایم تکلم خواهی نمود.
7Maar Jahweh sprak tot mij: Zeg niet, ik ben maar een kind! Neen, ge moet overal heengaan, waar Ik u zend, En alles verkondigen, wat Ik u opleg.
8از ایشان مترس زیرا خداوند می‌گوید: من با تو هستم و تورا رهایی خواهم داد.»
8Wees voor niemand bevreesd, Want Ik ben met u, en zal u beschermen: Is de godsspraak van Jahweh!
9آنگاه خداوند دست خود را دراز کرده، دهان مرا لمس کرد و خداوندبه من گفت: «اینک کلام خود را در دهان تو نهادم.
9Toen strekte Jahweh zijn hand naar mij uit, raakte mijn mond aan, en sprak tot mij: Zie, Ik leg u mijn woorden in de mond!
10بدان که تو را امروز بر امت‌ها و ممالک مبعوث کردم تا از ریشه برکنی و منهدم سازی و هلاک کنی و خراب نمایی و بنا نمایی و غرس کنی.»
10Heden geef Ik u volmacht Over volken en koninkrijken: Om uit te roeien en af te breken, Om te vernielen en te verwoesten, Om op te bouwen en te planten!
11پس کلام خداوند بر من نازل شده، گفت: «ای ارمیا چه می‌بینی؟ گفتم: «شاخه‌ای از درخت بادام می‌بینم.»
11Het woord van Jahweh werd tot mij gericht: Jeremias, wat ziet ge? Ik antwoordde: Ik zie een amandel-tak.
12خداوند مرا گفت: «نیکو دیدی زیرا که من بر کلام خود دیده بانی می‌کنم تا آن رابه انجام رسانم.»
12En Jahweh sprak tot mij: Ge hebt goed gezien: want Ik ben wakker, om mijn woord ten uitvoer te brengen!
13پس کلام خداوند بار دیگر به من رسیده، گفت: «چه چیز می‌بینی؟» گفتم: «دیگی جوشنده می‌بینم که رویش از طرف شمال است.»
13Andermaal werd het woord van Jahweh tot mij gericht: Wat ziet ge? Ik antwoordde: Ik zie een ziedende ketel; zijn opening gaapt uit het noorden.
14و خداوند مرا گفت: «بلایی از طرف شمال بر جمیع سکنه این زمین منبسط خواهدشد.
14En Jahweh sprak tot mij: Uit het noorden barst het onheil los Over alle bewoners van het land!
15زیرا خداوند می‌گوید اینک من جمیع قبایل ممالک شمالی را خواهم خواند و ایشان آمده، هر کس کرسی خود را در دهنه دروازه اورشلیم و بر تمامی حصارهایش گرداگرد و به ضد تمامی شهرهای یهودا برپا خواهد داشت.
15Zie, Ik roep alle stammen der koninkrijken uit het noorden op: Is de godsspraak van Jahweh! Ze komen allen, om hun troon op te slaan Voor Jerusalems poorten, Voor al de muren, die haar omringen, Voor al de steden van Juda.
16و بر ایشان احکام خود را درباره همه شرارتشان جاری خواهم ساخت چونکه مرا ترک کردند و برای خدایان غیر بخور‌سوزانیدند واعمال دستهای خود را سجده نمودند.
16Dan vel Ik hun vonnis om al hun boosheid: Omdat ze Mij hebben verlaten, Voor vreemde goden wierook gebrand, Hun eigen maaksel hebben aanbeden.
17پس توکمر خود را ببند و برخاسته، هر‌آنچه را من به توامر فرمایم به ایشان بگو و از ایشان هراسان مباش، مبادا تو را پیش روی ایشان مشوش سازم.
17Maar gij moet uw lenden omgorden, Opstaan en tot hen spreken al wat Ik u zal bevelen. Ge moet niet bang voor hen zijn, Ik zal zorgen, dat ge ze niet hoeft te vrezen.
18زیرااینک من تو را امروز شهر حصاردار و ستون آهنین و حصارهای برنجین به ضد تمامی زمین برای پادشاهان یهودا و سروران و کاهنانش و قوم زمین ساختم.
18Zie, Ik maak thans een vesting van u, Een ijzeren zuil, een bronzen muur tegen het hele land: Tegen de koningen en vorsten van Juda, Tegen zijn priesters en het volk van het land.
19و ایشان با تو جنگ خواهند کرداما بر تو غالب نخواهند آمد، زیرا خداوند می گوید: من با تو هستم و تو را رهایی خواهم داد.»
19Zeker, ze zullen strijd met u voeren, Maar u niets kunnen doen; Want Ik ben met u, om u te beschermen: Is de godsspraak van Jahweh!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.