Ioanej
Chapter 20
Kadede Kap (Pohnpeian Ne…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Petrus Canisius Bi…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1NI ran kaieu en wik Maria men Makdala pwara don joujou o nin joran, a jaikenta ran pajan, ap diaradar, me takai o katapur janer mon joujou o.
1Op de eerste dag der week kwam Maria Magdalena ‘s morgens vroeg, terwijl het nog donker was, naar het graf, en zag de steen van het graf afgerold.
2I ap tana wei, ko don Jimon Petruj o tounpadak teio, me Iejuj kotin kupura mauki, indai on ira: Irail wa janer Kaun o nan joujou o, a je jaja, waja re kidi on ia i.
2Ze snelde daarom vlug naar Simon Petrus heen, en naar den anderen leerling, dien Jesus liefhad, en zei hun: Men heeft den Heer uit het graf genomen, en wel weten niet, waar men Hem heeft neergelegd.
3Petruj ari koieila o tounpadak teio ap ko don joujou o.
3Toen gingen Petrus en de andere leerling op weg, en begaven zich naar het graf.
4Ira wiaki eu tana wei, a tounpadak teio me madan mon Petruj lel joujou maj.
4Ze waren samen op weg gegaan, maar de andere leerling liep sneller dan Petrus, en kwam het eerst bij het graf.
5A lao itiokidi, ap kilanada likau linen wonon, ap jota pedelon on lole.
5Hij bukte zich voorover, en zag het lijnwaad liggen; maar hij ging er niet binnen.
6Jimon Petruj ap kokodo idauen i, ap pedelon on nan joujou o, diarada likau linen ko wonon.
6Nu kwam ook Simon Petrus achter hem aan, ging het graf binnen, en zag het lijnwaad liggen,
7O lim en pudo me pira a kadokenmai, me jota ian likau linen ko; a lim pena waja toror.
7met de zweetdoek, die zijn hoofd had bedekt; deze lag niet bij het lijnwaad, maar afzonderlijk opgerold op een andere plaats.
8A tounpadak teio me tion don joujou o, ap pil ko on lole; I ari diarada o pojonla.
8Nu ging ook de andere leerling binnen, die het eerst bij het graf was gekomen. En nu hij het zag, geloofde hij ook;
9Pwe ira kaikenta weweki kijin likau, me a en iajada jan a matala,
9want ze kenden de Schrift nog niet, dat Hij uit de doden moest opstaan.
10Tounpadak ko ap pur oner nan deu ’ra.
10Toen gingen de leerlingen weer naar huis.
11A Maria u liki jal on joujou o janejan. O ni a janejan a poridi, kilanlon on nan joujou o,
11Maar Maria bleef buiten bij het graf staan wenen. Onder het wenen bukte ze zich voorover naar het graf,
12Kilanada tounlan riamen momod ia, kapwateki likau pwetepwet, amen liman kadokenmai a amen liman aluwilu a kan waja kalep en Iejuj kotikot iaer,
12en zag er twee engelen zitten in witte gewaden, de een aan het hoofdeind, de ander aan het voeteneind van de plaats, waar Jesus’ lichaam gelegen had.
13Ira ari majani on i: Li, da me koe janejanki? A indai on ira: Aki irail wa janer ai Kaun, a i jaja, waja re kidi on ia i.
13Ze zeiden tot haar: Vrouw, waarom weent ge? Ze zei hun: Omdat men mijn Heer heeft weggenomen, en ik niet weet, waar men Hem heeft neergelegd.
14A lao indada met, ap joupei wei kilaner Iejuj kotia u o jaja, me i Iejuj.
14Toen ze dit had gezegd, keerde ze zich om, en zag Jesus staan; maar ze wist niet, dat het Jesus was.
15Iejuj kotin majani on i: Li, da me koe janejanki? Ij me koe kin raparapaki? A kiki on, me i me jaumat o, ap indan i: Main, ma komui wa janer i, indai on ia, waja komui kidi on ia i, I ap pan wala jan i.
15Jesus sprak tot haar: Vrouw, waarom weent ge; wien zoekt ge? In de mening, dat het de tuinman was, zeide ze Hem: Heer, zo gij Hem hebt weggehaald, zeg me, waar ge Hem hebt neergelegd, dan zal ik Hem wegdragen.
16Iejuj ap kotin majani on i: Maria! I ari joupei on, potoan on i: Rapuni! let wewe: Jaunpadak.
16Jesus zei haar: Maria! Ze keerde zich naar Hem toe, en zei in het hebreeuws: Rabboni; dat wil zeggen: Meester!
17Iejuj kotin majani on i: Der jair ia, pwe I kaikenta pwarala ren Jam ai, a kola ren ri ai kan, kaire kin irail, I kokodala ren Jam ai o Jam omail, ren ai Kot o omail Kot,
17Jesus sprak tot haar: Houd Mij niet vast; want nog ben Ik niet naar den Vader opgestegen. Maar ga naar mijn broeders, en zeg hun: Ik stijg op naar mijn en uw Vader, naar mijn en uw God.
18Maria men Makdala kodo kaireki tounpadak kan, me a kilanadar Kaun o, o me a kotin majani on i mepukat.
18Maria Magdalena ging aan de leerlingen zeggen: Ik heb den Heer gezien; en wat Hij tot haar had gezegd.
19Lao nin jautik en ran ota, ni ran kaieu en wik, ni wanim ko me ritidier, waja tounpadak kan pokon pena ia, pweki ar majak Juj oko, Iejuj ap kotido u nan pun arail, majani on irail: Komail popol!
19In de avond van diezelfde dag, de eerste dag der week, toen de deuren van het huis, waar de leerlingen zich bevonden, uit vrees voor de Joden waren gesloten, kwam Jesus binnen, plaatste Zich in hun midden, en sprak tot hen: Vrede zij u!
20A lao majaniada met, ap kajale on irail lim a kan o panepan a. Tounpadak kan ap perenda ni ar kilanada Kaun o.
20En na deze woorden toonde Hij hun zijn handen en zijde. De leerlingen verheugden zich bij het zien van den Heer.
21Iejuj ap pil kotin majani on irail: Komail popol! Duen Jam o kadar ia do, iduen I kadar komail la.
21Nogmaals zeide Hij hun: Vrede zij u! Zoals de Vader Mij heeft gezonden, zo zend Ik u.
22A lao majanier met, ap nidi on irail majani: Komail ale Nen jaraui!
22En toen Hij dit had gezegd, blies Hij over hen, en sprak: Ontvangt den Heiligen Geest.
23Me komail pan lapwada dip ar akan, re lapwadar; o me komail katenedie dip ar akan, pan tenedier.
23Wier zonden gij vergeeft, hun zijn ze vergeven; wier zonden gij behoudt, hun zijn ze behouden.
24A Tomaj amen ekriamen, me adaneki Didimoj, jota ian irail, ni Iejuj kotin pwarador.
24Tomas, een van de twaalf, ook Didumus genaamd, was echter niet bij hen, toen Jesus kwam.
25Tounpadak teio ap indai on i: Je kilaner Kaun o. A i me indai on irail: Ma i jota pan kilan lip en mata nan lim a kan, o kilon on nan lip en mata jondi en pa i, o kilon on pa ni panepan a, i jota pan pojon.
25De andere leerlingen zeiden hem dus: We hebben den Heer gezien. Maar hij zei hun: Zo ik in zijn handen de wonden der nagelen niet zie, en mijn vinger niet leg in de plaats van de nagelen, en mijn hand niet in zijn zijde steek, dan geloof ik het niet.
26Murin ran walu japwilim a tounpadak kan pil pokon pena, o Tomaj ian irail. Wanim ko lao ritidier, Iejuj ap kotido, u nan pun arail majani: Komail popol!
26Acht dagen later waren zijn leerlingen weer daarbinnen bijeen, en ook Tomas was er bij. Terwijl de deuren gesloten waren, kwam Jesus binnen, plaatste Zich in hun midden, en zeide: Vrede zij u!
27Ap kotin majani on Tomaj: Kido jondin pa om o kilan pa I kat, o kido pa om, kilon on nan panepan ai, o der jopojon, a pojon ta!
27Daarna sprak Hij tot Tomas: Leg uw vinger hier, en bezie mijn handen; steek uw hand uit, en leg ze in mijn zijde; en wees niet ongelovig, maar gelovig.
28A Tomaj japen indan i: Ai Kaun o ai Kot!
28Tomas gaf Hem ten antwoord: Mijn Heer en mijn God!
29Iejuj kotin majani on i: Pweki om kilan ia er, koe pojon kilar, a meid pai, me kaikenta kilan ap pojon.
29Jesus sprak tot hem: Gelooft ge, omdat ge Mij hebt gezien? Zalig zij, die niet zien, en toch geloven.
30Kilel toto me jo intinidier nan puk wet, me Iejuj kotin wiadar nan pun en japwilim a tounpadak kan.
30Nog veel andere wonderen heeft Jesus in tegenwoordigheid van de leerlingen verricht, die in dit boek niet zijn beschreven.
31A mepukat me intinidier, pwe komail en pojon, me Iejuj me Krijtuj japwilim en Kot ol. O komail en pojon ap aneki maur pweki mar a.
31Maar deze zijn opgetekend, opdat ge geloven moogt, dat Jesus de Christus is, de Zoon van God; en opdat ge, door te geloven, het leven moogt hebben in zijn naam.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.