Men Rom 1
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1PAULUJ ladun Iejuj Krijtuj men, me paeker, en wiala wanporon amen, me katoror on papa ronamau en Kot,
1Paulus, dienaar van Christus Jesus, geroepen als apostel en bestemd voor het Evangelie van God,
2Me a kotin kopekidor japwilim a jaukop akan nan kijin likau jaraui kan.
2dat Deze tevoren door zijn profeten in de heilige Schriften had aangekondigd
3Duen japwilim a Ol me kijan kadaudok en Dawid ni tiak en puli uduk,
3over zijn Zoon: -die naar het Vlees uit Davids zaad is gesproten,
4O me kadede kidar, me a Japwilim en Kot a manaman, duen a kotin iajadar jan ren me melar akan ki Nen jaraui, Iejuj Krijtuj atail Kaun,
4en naar den Geest van Heiligheid als Zoon van God in kracht is gesteld door zijn opstanding uit de doden: -over Jesus Christus, onzen Heer.
5Me kit ale janer mak o koa en wanporon, pwen padaki on men liki kan karoj ni mar a, pwe irail en pojon o peik,
5Door Hem hebben we genade ontvangen en het apostolaat onder alle volken, om ze te onderwerpen aan het geloof ter ere van zijn Naam;
6Pwe komail pil kijan irail, me paaeker don Iejuj Krijtuj.
6ook gijzelf behoort daartoe, als door Jesus Christus geroepen.
7Komail karoj kompoke pan Kot, me paeker me jaraui kan, me mimi Rom mak o popol jan ren Kot Jam atail o Kaun Iejuj Krijtuj en mi re omail!
7Aan allen, die te Rome vertoeven, die door God worden bemind en als heiligen zijn geroepen: Genade en vrede zij u van God onzen Vader en van den Heer Jesus Christus.
8let kaieu, i kin kapina ai Kot ki Iejuj Krijtuj pweki komail karoj; pwe omail pojon me kalok jili lel penan jap karoj.
8Allereerst breng ik door Jesus Christus dank aan mijn God voor u allen, omdat in heel de wereld uw geloof wordt geroemd.
9Pwe Kot, me i kin papa on ni nen i ni ai padapadaki wei ronamau en japwilim a Ol, me jaunkadede pai, me i kin tamataman kin komail anjau karoj, nidinid ni ai kapakap akan.
9God toch, dien ik met mijn geest dien, door het Evangelie van zijn Zoon te verkondigen, Hij is mijn getuige, dat ik zonder ophouden aan u denk,
10Nidinideki anjau karoj, ma I jota pan kak pwarala re omail, ma iduen kupur en Kot.
10en steeds in mijn gebeden vraag, om door Gods wil eindelijk eens een gelegenheid te vinden, u te bezoeken.
11Pwe i inon ion udial komail, pwe i en katunole kin komail ekij pwaij nenin, pwe komail en tinainda.
11Want ik verlang u te zien, om tot uw stichting een of andere geestelijke gave u mede te delen;
12Pwe i en kajarloleid re omail, pweki atail pojon ta ieu.
12of liever nog: om in uw midden tezamen de troost te genieten van ons beider geloof, het uwe zowel als het mijne.
13Ari, ri ai ol akan, i jota men, me komail en jaja duen ai kileledier pan pak toto, en pwar won komail, ap jaik pijoki on, pwen diar ekij wan ai dodok re omail, dueta ren wei tei kan.
13Broeders, ik wil u niet onkundig laten, dat ik meermalen het voornemen gemaakt heb, maar tot nu toe verhinderd werd, u te bezoeken, om ook onder u wat vruchten te plukken, zoals onder andere volken.
14Pwe nai me pwaipwand on men Krik o men liki kan, o on me lolekon o me jo lolekon kan.
14Ik heb verplichting tegenover Grieken en Barbaren, geleerden en eenvoudigen;
15Pwe duen a pan kak pai, i men pil padaki on komail men Rom ronamau.
15vandaar het verlangen mijnerzijds, om ook u in Rome het Evangelie te verkondigen.
16Pwe i jota kin namenok ki ronamau, pwe i manaman en Kot, me kin kamaurela me pojon akan karoj, Juj oko maj, ap pil men Krik.
16Voor het Evangelie toch schaam ik me niet. Immers het is een goddelijke kracht ter zaligheid voor iedereen, die gelooft; eerst voor den Jood en dan voor den Griek.
17Pwe i me kin kajanjaleda pun en Kot, me kin pwili jan pojon, pwen pojon duen a intinidier: Me pun o pan memaureki pojon;
17Want in het Evangelie openbaart zich de gerechtigheid Gods, verkregen door een steeds groeiend geloof; zoals geschreven staat: “Wie rechtvaardig is door het geloof, hij zal leven”.
18Pwe onion en Kot pan janjaleda jan nanlan on me doo jan Kot akan o me japun en aramaj akan, me kin kawela melel ni arail japun.
18Inderdaad, Gods toorn daalt neer uit de hemel over al de goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, die de waarheid geweld aandoen door ongerechtigheid.
19Pwe duen me pwarada jan ren Kot me janjal on irail, pwe Kot me kotin kajanjale on irail,
19Immers, wat men weten kan over God, kan ook door hèn worden gekend; God toch heeft het hun duidelijk gemaakt.
20Pwe meakan me jo janjal duen i, iet akan, a manaman joutuk o pil duen a udan Kot jan ni anjaun jappa wiauier, kin janjal kida japwilim a dodok kan, pwe jolar pekid parail,
20Want zijn onzichtbaar Wezen, zijn eeuwige Macht en zijn Godheid zijn van de schepping der wereld af bij enig nadenken uit het geschapene duidelijk te kennen. Te verontschuldigen zijn ze dus niet.
21Pweki irail ajadar Kot, a re jota wauneki i duen me kon on Kot pil jota majak tol a, a re aklemai on i, monion japun arail ap rotorotalar.
21Want ofschoon ze God hebben gekend, hebben ze Hem niet als God geëerd of gedankt; maar hun bespiegelingen zijn uitgelopen op niets, en hun onverstandig hart werd verduisterd.
22Irail akereki pein irail ap lamponlar.
22Ze noemden zich wijs, en werden dwaas;
23Irail kawukilar linan en Kot me jo kak mor pajan, on mom en aramaj me kin mor pajan o mom en manpir akai, o man aluki pa, o man korop akan.
23de glorie van den onsterflijken God hebben ze verruild voor een beeld, dat lijkt op een sterflijken mens, op vogels, op viervoetige en kruipende beesten.
24I me Kot kotin mueide kila irail, en inon ion kajaminlar monion arail ni ar kajautela pein war arail nan pun arail,
24Daarom heeft God naar de lusten van hun hart hen prijsgegeven aan onreinheid, zodat ze hun eigen lichaam onteren.
25Me kawukila melel en Kot on likam, ap poni o papa on dipijou mon Jaun wia meakaroj, me iajanai potepoteta amen.
25Ze hebben de waarheid van God tegen de leugen geruild, en liever het schepsel geëerd en gediend dan den Schepper, die geprezen moet worden in eeuwigheid. Amen!
26Nan i me Kot mueidela kin ir on inon jued akan, en lel on arail li akan, en wuki jan ira ’rail, kaokaoe ira rail.
26En daarom heeft God hen overgelaten aan onterende driften. Hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang met de tegennatuurlijke verwisseld;
27Pil dueta ol akan liki jan iran li, ap kalel nan pun arail; ol ajada ol, me jo kon, ap pein kapokala nan war arail manidi en ar wiawia kan.
27en ook de mannen hebben de natuurlijke omgang met de vrouw laten varen, zijn in lust voor elkander ontvlamd, en mannen plegen ontucht met mannen. Zó hebben ze in zichzelf het verdiende loon voor hun afdwaling ontvangen.
28Nan duen irail kan kataman on Kot, Kot ap mueidalan irail, en kapitakaila kamom on wia meakan me jued,
28En daar ze de kennis van God hebben versmaad, heeft God hen overgeleverd aan hun smadelijke instinkten, zodat ze doen, wat niet past:
29Me dir en japun karoj, morjued, norok kapwa, jempok, dir en peirin, lolap, akamai, widin, weid, lidu monin,
29vol zijn ze van allerlei ongerechtigheid, boosheid, hebzucht en slechtheid; vol van afgunst, moordlust, twist, bedrog en gemeenheid; lasteraars zijn het,
30Pil en pan moli, likinekine, kajenta Kot, kan kapunlol, aklapalap, ponmajo, me kin diar me jued akan, jo oke jam ar o in ar,
30kwaadsprekers, godvergeten, onbeschaamd, verwaand, grootsprekers en zinnend op kwaad; ongehoorzaam zijn ze aan hun ouders,
31Lampon, inaujopoujok, jempok, jomak.
31onbezonnen, onbetrouwbaar, harteloos en onmeedogend.
32Re aja duen kapun pun en Kot, me kin wia mepukat, pan mau on mela, a kaidin i eta, pwe re pil kin perenki irail, me kin wia mepukat.
32En terwijl ze weten, dat God heeft verordend, dat wie dergelijke dingen doet, de dood verdient, bedrijven zij ze niet alleen, maar schenken hun bijval aan hen, die ze doen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.