Men Tejalonik II 1
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1PAULUJ o Jilwanuj, o Timoteuj on momodijou en Tejalonik me ren Kot Jam atail, o atail Kaun Iejuj Krijtuj.
1Paulus, Silvanus en Timóteus, aan de kerk der Tessalonicenzen in God onzen Vader en in den Heer Jesus Christus:
2Mak o popol jan ren Kot Jam atail o atail Kaun Iejuj Krijtuj en mi re omail!
2Genade en vrede zij u van God den Vader en van den Heer Jesus Christus.
3Mak eta jen poden danke Kot pweki komail, ri ai kan, pwe omail pojon kin laudela kaualap, o omail limpok pena pwaida kaualap.
3Broeders, steeds moeten we, zoals het betaamt, dank brengen aan God over u, omdat uw geloof krachtig opbloeit, en de onderlinge liefde toeneemt bij ieder van u zonder uitzondering.
4I me kit juai kin komail on momodijou en Kot akan pweki omail kanonama o pojon ni omail kalokolok o kamekam, me lel on komail.
4Daarom ook roemen wijzelf over u in Gods kerken: over uw standvastigheid en geloof temidden van allerlei vervolgingen en kwellingen, die gij doorstaat.
5lei me kajanjal pan kadeik pun en Kot, komail ap pan kon on wein Kot, me komail kamekamki.
5Deze zijn een zeker teken van Gods rechtvaardig oordeel, waardoor gij waardig zult worden bevonden voor het Koninkrijk Gods, waarvoor gij thans te lijden hebt.
6Pwe me pun ta on Kot en depukki on irail me moromorouo on komail.
6Want het is rechtvaardig, zo God hen, die u kwellen, met kwelling vergeldt, en u die gekweld wordt, met verkwikking tezamen met ons.
7A komail, me kalokolok, pan ian kit meleileila, ni kajale pan Kaun Iejuj jan nanlan ian japwilim a tounlan manaman akan,
7En dit zal geschieden, wanneer de Heer Jesus uit de hemel zal komen met de engelen zijner macht,
8Janjaldo ni kijiniai umpumpul, kapukapun on irail me poponjaja Kot, o on irail, me jo peiki on ronamau en atail Kaun Iejuj Krijtuj.
8in een helvlammend vuur. Dan neemt Hij wraak over hen, die God niet kennen en niet luisteren naar het Evangelie van onzen Heer Jesus;
9O me pan lokidokilan kamekam joutuk jan mon jilan en Kaun o jan mon a manaman linan.
9ze zullen gestraft worden met eeuwig verderf, ver weg van den Heer en van de glorie zijner kracht.
10Ni a pan kotido o linan kila japwilim a jaraui kan, ni ran o, o ujun kin ir karoj, me pojonlar i, pwe komail kamelele atail kadede.
10Ja, op die dag: als Hij komt, om in zijn heiligen verheerlijkt te worden, en bewonderd in alle gelovigen; want bij u vond onze getuigenis geloof.
11I me je kin pil poden kapakapa kin komail, pwe Kot en kotin kakonekon komail on paeker o a kotin kaerela omail kapunlol o kapwaiada wiawia en pojon ki manaman.
11Daarom dan ook bidden we altijd voor u, dat onze God u de roeping waardig mag maken, en elk verlangen naar het goede, als de daad zelf uit geloof, mag vervullen van kracht.
12Pwe mar en atail Kaun Iejuj Krijtuj en kalinanada re omail, o komail en konekonla re a duen mak en atail Kot o atail Kaun Iejuj Krijtuj.
12Zó moge de Naam van onzen Heer Jesus in u worden verheerlijkt en gij in Hem; naar de mate der genade van onzen God en van den Heer Jesus Christus.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.