Men Rom 12
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Rl ai kan, i ap panaui komail pweki kalanan en Kot, komail en kida war omail, pwen wiala mairon maur, me jaraui o kaperenda kupur en Kot, iei omail kaudok me pun.
1Derhalve broeders, bezweer ik u bij de barmhartigheid Gods, uw lichamen aan te bieden als een levende offerande, heilig en welgevallig aan God; als een redelijke eredienst uwerzijds.
2Komail der kaalemonin jappa, a komail en kawilikapada lol omail, pwe komail en kak kajauiada, da me kupur en Kot, me mau o kaperen, o unjok.
2Vormt u niet naar deze wereld, maar hervormt u door vernieuwing van inzicht, opdat gij onderscheiden moogt, wat de wil is van God, wat goed is, welbehagelijk en volmaakt.
3Ki mak, me i aleer, i indan amen amen nan pun omail, ender inon ion pein i, laude jan me kon on, a en lamelame me a en pun, duen Kot kotin nek on amen amen wan a pojon.
3Krachtens de mij geschonken genade beveel ik aan ieder van u, zich niet hoger te stellen dan recht is, maar zich op juiste waarde te schatten volgens de maat van het geloof, die God eenieder heeft toegemeten.
4Pwe duen ni pali war atail kokon toto mia, a dodok en kokon akan kaidin dupeneta,
4Want zoals wij in één lichaam veel ledematen bezitten en niet alle ledematen dezelfde taak verrichten,
5lduen kitail me toto, war ta ieu ren Krijtuj, kitail ap kokon pena nan pun atail.
5zo zijn we tezamen één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk zijn we ledematen over en weer.
6Atail pai en mak akan mia ap toror pajan, duen mak o me kitail aleer: Ma deideikop kitail en kokopada duen wan pojon,
6Welnu, we hebben verschillende gaven overeenkomstig de genade, die ons geschonken is: is het een profetie, men houde zich aan de maat des geloofs;
7O ma dodok eu, kitail en kolekol atail dodok; o ma jaunpadak amen, i en wiada padak,
7is het een bediening, men houde zich aan de bediening; wie leraar is, houde zich aan het onderricht;
8Ma amen kin panaui, i en panaui, ma amen kin kijakij wei, a en opampap, ma kaun amen, a en kanekanaion, ma amen, kin kalanan, a en peren kida.
8wie vermaant, houde zich aan de vermaning; wie uitdeelt, doe het in eenvoud; wie vóórzit, doe het met ijver; wie barmhartigheid beoefent, doe het blijmoedig.
9Omail limpok ender japun, tateki me jued, teneten ni me mau.
9De liefde zij ongeveinsd; verfoeit het kwaad, blijft gehecht aan het goede!
10Omail limpok pena en tapi jan monion omail; wauneki amen, mon a pan waune kin uk.
10Hebt in broedermin elkander hartelijk lief, acht elkander hoger dan uzelf;
11Der tanana ni omail dodok; nen omail en inon ion dodok on Kaun O.
11weest onverdroten in ijver, vurig van geest in de dienst van den Heer.
12Peren ni kaporopor; kanonama ni anjau apwal; podidi on kapakap.
12Weest blijde in de hoop, geduldig in het lijden, volhardend in het gebed;
13Kijakij on jaraui jamama kan; kajamo ki peren.
13helpt de heiligen in hun noden, legt u op de gastvrijheid toe.
14Kapaiada me kin paki komail; kapaiada o der kariala.
14Zegent hen, die u vervolgen; zegent ze, en vloekt ze niet.
15Perenda ren me popol akan; o janejan ren me janejan kan.
15Weest blij met de blijden, weent met de wenenden;
16Komail minimin pena ni omail lamelam, der inon ion meakot me lapalap, a inon ion me tikitik; komail der aklolikon.
16weest eensgezind onder elkander. Weest niet hooghartig, maar daalt tot de eenvoudigen af; wordt niet wijs in uw eigen oog.
17Komail der depukki on en amen a me jued me jued, a inon ion me kon on aramaj akan karoj.
17Vergeldt niemand kwaad met kwaad, maar weest goedgezind jegens alle mensen;
18Ma a pan kak pa omail, polaul on aramaj akan karoj.
18leeft zoveel mogelijk in vrede met iedereen, zover het althans van u afhangt.
19Kompoke pai ko, komail der pein depuk, o komail der madan makar, pwe a intinidier: Ai depuk, Nai me pan depuk, me Kaun o kotin majani.
19Geliefden, wreekt u niet, maar laat het over aan de Toorn; want er staat geschreven: “Aan Mij is de wraak; Ik zal vergelden, zegt de Heer.”
20Ari, ma om imwintiti amen men manadar, kamana i; ma a men nim piladar, kanim pileda, pwe ma koe pan wia mepukat, nan koe ap pan ki penan mon a kol moluj.
20Maar, “als uw vijand honger heeft, geef hem te eten, en als hij dorst heeft, geef hem te drinken; want dan stapelt ge vurige kolen op zijn hoofd.”
21Koe der lodi on me jued, a poekidi me jued me mau.
21Laat u niet door het kwade overwinnen, maar overwin het kwade door het goede!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.