Ioanej 15
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Nai wain melel pot a Jam ai joumat
1Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijngaardenier.
2Ra karoj, me podidi on ia, ap jota wa, a kin lepuke jan, a karoj me wa, a kin koko, pwen wa totola.
2Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt, snijdt Hij af; en elke rank die wèl vrucht draagt, zuivert Hij, opdat ze nog meer vrucht mag dragen.
3Komail ari makelekel kidar padak, me I ki on komail er.
3Reeds zijt gij rein door het woord, dat Ik tot u gesproken heb.
4Komail podidi on ia o nai on komail. Ra jota kak pein wa, ma a jo podidi on wain, iduen komail, ma komail jo podidi on ia.
4Blijft in Mij, en Ik blijf in u. Zoals de rank uit zichzelf geen vrucht kan dragen, maar alleen wanneer ze aan de wijnstok blijft, zo kunt ook gij het niet, wanneer gij niet blijft in Mij.
5Nai wain pot, a ra kan komail. Me podidi on ia o nai on i, iei i, me kin wawa toto; pwe komail jota kak wia meakot ma jota nai.
5Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, en Ik in hem, hij draagt rijke vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.
6Meamen jo podidii on ia, pan lokidokila dueta ra, ap monedi; aramaj kin waja ir pena, kaje ir ala nani iai, ir ari pan ronala.
6Zo iemand in Mij niet blijft, dan wordt hij weggeworpen als de rank, en verdort; men raapt ze bijeen, werpt ze in het vuur, en verbrandt ze.
7Ma komail podidi on ia, o ai padak kan podidi on komail, komail pan poeki meakot, me komail mauki, a a pan pwai on komail.
7Maar zo gij in Mij blijft, en mijn woorden in u blijven, vraagt dan al wat gij wilt, en gij zult het verkrijgen.
8Nan i me Jam ai kalinana kila, omail wawa toto, o komail pan wiala ai tounpadak kan.
8Dit is het, wat mijn Vader verheerlijkt: dat gij veel vruchten draagt, en mijn leerlingen wordt.
9Due Jam o pok on ia er, iduen I pil pok on komail; komail podidi on ai limpok!
9Zoals de Vader Mij heeft bemind, zo ook heb Ik u bemind; blijft in mijn liefde.
10Ma komail pan peiki on ai kujoned akan, komail pan podidi on ai limpok, duen I kin peiki on en Jam ai kujoned akan, o podidi on a limpok.
10Wanneer gij mijn geboden onderhoudt, zult gij in mijn liefde blijven; zoals ook Ik de geboden van mijn Vader heb onderhouden, en in zijn liefde blijf.
11Mepukat I padaki on komail er, pwe ai peren en podidi on komail, o omail peren en unjokela.
11Dit alles heb Ik tot u gezegd, opdat mijn vreugde uw deel mag worden, en uw vreugde volkomen mag zijn. —
12Nan iet ai kujoned: Komail en poke pena, duen i pok on komail er.
12Dit is mijn gebod: Hebt elkander lief, zoals Ik u heb bemind.
13Jota me a limpok laude jan met, me pan mueid kila maur i kompokepa kan.
13Niemand heeft groter liefde dan hij, die zijn leven geeft voor zijn vrienden.
14Komail me kompokepa i, ma komail wiawia, me I indai on komail.
14Gij zijt mijn vrienden, zo gij doet, wat Ik u gebied.
15I jolar kaadaneki komail ladu, pwe ladu jaja, me a jaumaj kin wia. A I kaadane kin komail kompokepa i kan, aki I kajale on komail er karoj, me I ronadar jan ren Jam ai.
15Ik noem u geen dienstknechten meer, want de knecht weet niet wat zijn heer doet; maar u heb Ik vrienden genoemd, omdat Ik u alles bekend heb gemaakt, wat Ik van mijn Vader gehoord heb.
16Kaidin komail me pil ia dar, a nai me piladar komail o kilele on komail, en kokowei kapareda wa, o omail wa en mimieta, pwe karoj, me komail pan poeki ren Jam ni ad ai, a pan kotiki on komail.
16Niet gij hebt Mij uitverkoren, maar Ik heb ú uitverkoren; en Ik heb u aangesteld, om vrucht te gaan dragen, en wèl blijvende vrucht; en de Vader geve u alles, wat gij Hem in mijn naam zult vragen.
17A iet me I panaui kin komail, komail en poke pena!
17Dit leg Ik u op: Hebt elkander lief.
18Ma jappa kailon kin komail, komail en aja, me a kailon kin ia mo omail.
18Wanneer de wereld u haat, weet, dat ze Mij het eerst heeft gehaat.
19Ma kijan jappa komail, jappa pan pok on me a; a komail Kaidin kijan jappa, pwe I pil komail dar jan jappa, iei me jappa kailon kin komail.
19Zo gij van de wereld waart, zou de wereld beminnen wat haar toebehoort; maar omdat gij niet van de wereld zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld.
20Tamatamanda kajoi o, me I kajoia on komail er: Ladu me jota laude jan a jaumaj ma re kame ia er, re pil pan kame komail. A ma irail pan kapwaiada ai padak, re pil pan kapwaiada omail.
20Denkt aan het woord, dat Ik u heb gezegd: Een dienaar is niet meer dan zijn heer. Heeft men Mij vervolgd, dan zal men ook u vervolgen; heeft men mijn woord geacht, dan zal men ook het uwe achten.
21A mepukat karoj re pan wiai on komail pweki ad ai, aki ar jo aja me kadar ia dor.
21Maar dit alles zal men u aandoen om mijn naam, omdat men Hèm niet kent, die Mij heeft gezonden.
22Ma I jo kodo o padaki on irail, nan jota pan dip arail, a met jota peikid pan dip arail.
22Wanneer Ik niet gekomen was en niet tot hen had gesproken, dan zouden ze geen zonde hebben; maar nu hebben ze geen verontschuldiging voor hun zonde;
23Me kailon kin ia, pil kin kailonki Jam ai.
23wie Mij haat, haat ook mijn Vader.
24Ma I jo wiadar dodok kan nan pun arail, me jota amen wiadar, nan jota pan dip arail. A met irail kilaner o kailon kin ia er o pil Jam ai.
24Had Ik onder hen niet de werken gedaan, die niemand anders gedaan heeft, dan zouden ze geen zonde hebben; maar nu hebben zij ze gezien, en toch èn Mij èn mijn Vader gehaat.
25A mepukat wiauier pwe majan o en pwaida, me intinidier nan arail kapun: Irail kailon kin ia, a jota karepa.
25Maar het woord moest worden vervuld, dat in hun Wet staat geschreven: “Zij hebben Mij gehaat zonder reden”.
26A jaunkamait lao kodoer, me I pan kadarado jan ren Jam, iei Nen en melel, me kin kodo jan ren Jam, i me pan kadede nai.
26Maar wanneer de Helper komt, dien Ik u van den Vader zal zenden, de Geest der waarheid, die uitgaat van den Vader, dan zal Hij van Mij getuigen.
27A komail pil pan kadede, pwe komail ian ia er jan ni tapi o.
27Maar ook gij moet getuigen, omdat gij van de aanvang af bij Mij zijt geweest.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.