1 Korintským 11
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Následovníci moji buďte, jako i já Kristův.
1Weest mijn navolgers, zoals ik het ben van Christus!
2Chválímť pak vás, bratří, že všecky věci mé v paměti máte, a jakž jsem vydal vám ustanovení, tak je zachováváte.
2Ik prijs u, omdat gij bij allerlei zaken aan mij denkt, en vasthoudt aan de voorschriften, die ik u gegeven heb.
3Chciť pak, abyste věděli, že všelikého muže hlava jest Kristus, a hlava ženy muž, hlava pak Kristova Bůh.
3Welnu, ik wil, dat gij wèl bedenkt: het hoofd van iederen man is Christus; het hoofd van de vrouw is de man; het hoofd van Christus is God.
4Každý muž, modle se aneb prorokuje s přikrytou hlavou, ohyžďuje hlavu svou.
4Iedere man, die bidt of profeteert met bedekt hoofd, doet zijn hoofd schande aan.
5Každá pak žena, modleci se anebo prorokujici s nepřikrytou hlavou, ohyžďuje hlavu svou; nebo jednostejná věc jest, jako by se oholila.
5Iedere vrouw daarentegen, die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan; want dat is juist hetzelfde, als deed ze het met geschoren hoofd.
6Nebo nezavíjí-liť žena hlavy své, nechažť se také ostříhá. Pakli jest mrzká věc ženě oholiti se neb ostříhati, nechažť se zavíjí.
6Ja, zo een vrouw zich niet bedekken wil, dan moet ze zich ook maar de haren doen knippen; en zo het voor een vrouw een schande is, zich kaal te laten knippen of scheren, dan moet ze zich ook maar bedekken.
7Mužť nemá zavíjeti hlavy své, obraz a sláva Boží jsa, ale žena sláva mužova jest.
7De man moet zijn hoofd niet bedekken, daar hij het evenbeeld is en de glorie van God; maar de vrouw is de glorie van den man.
8Nebo není muž z ženy, ale žena z muže.
8Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw is uit den man;
9Není zajisté muž stvořen pro ženu, ale žena pro muže.
9en de man is niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man.
10Protož máť žena míti obestření na hlavě pro anděly.
10En daarom moet de vrouw een macht over haar hoofd behouden ter wille der engelen.
11Avšak ani muž bez ženy, ani žena bez muže, v Pánu.
11Toch blijft het waar: naar ‘s Heren plan is een vrouw er niet zonder man, maar ook is een man er niet zonder vrouw.
12Nebo jakož žena jest z muže, tak i muž skrze ženu, všecky pak věci z Boha.
12Want zoals de vrouw uit den man is ontstaan, zo ontstaat ook weer de man door de vrouw; en dit alles naar Gods beschikking.
13Vy sami mezi sebou suďte, sluší-li se ženě s nepřikrytou hlavou modliti Bohu.
13Oordeelt nu zelf: Is het betamelijk, dat een vrouw bidt met onbedekt hoofd?
14Zdaliž vás i samo přirození neučí, žeť jest ohyzda muži míti dlouhé vlasy?
14Leert toch de natuur zelf u niet, dat het voor den man een schande is, lang haar te dragen;
15Ale ženě míti dlouhé vlasy poctivé jest; nebo vlasové k zastírání dány jsou jí.
15terwijl het voor de vrouw een eer is, wanneer ze lang haar draagt; want de haardos is haar gegeven bij wijze van sluier.
16Jestliže pak komu se vidí neustupným býti, myť takového obyčeje nemáme, ani církev Boží.
16En zo iemand nog andere bewijzen verlangt: wij hebben zulke gebruiken niet, en de gemeenten Gods evenmin.
17Toto pak předkládaje, nechválím toho, že ne k lepšímu, ale k horšímu se scházíte.
17Bij de nu volgende vermaning kan ik u niet prijzen. Want gij komt niet samen tot uw heil, maar tot uw onheil.
18Nejprve zajisté, když se scházíte do shromáždění, slyším, že jsou roztržky mezi vámi, a poněkud tomu věřím.
18Vooreerst toch hoor ik, dat er bij uw bijeenkomsten in de kerk verdeeldheid onder u heerst; en gedeeltelijk geloof ik dit ook.
19Neboť musejí i kacířstva mezi vámi býti, aby právě zbožní zjeveni byli mezi vámi.
19Want het is nodig, dat er scheuringen onder u zijn, wil het blijken, wie onder u standvastig is.
20A tak když se scházíte vespolek, jižť to není večeři Páně jísti,
20Wanneer gij bijeen komt, dan is dat geen nuttigen van de Maaltijd des Heren.
21Poněvadž jeden každý nejprv večeři svou přijímá v jedení, a tu někdo lační, a jiný se přepil.
21Want iedereen begint zijn eigen maal vooruit te eten; en zó is de een hongerig, de ander over-verzadigd.
22A což pak domů nemáte k jedení a ku pití? Èili církev Boží tupíte, a zahanbujete ty, kteříž nemají hojnosti pokrmů? Což vám dím? Chváliti budu vás? V tom jistě nechválím.
22Hebt gij dan geen huizen, om te eten en te drinken? Of durft gij de kerk van God verachten, en hen die niets bezitten, vernederen? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? Op dit punt prijs ik u zeker niet.
23Já zajisté přijal jsem ode Pána, což i vydal jsem vám, že Pán Ježíš v tu noc, v kterouž zrazen jest, vzal chléb,
23Want ik zelf heb van den Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgeleverd; dat de Heer Jesus in de nacht, dat Hij verraden werd, brood nam,
24A díky činiv, lámal a řekl: Vezměte, jezte, to jest tělo mé, kteréž se za vás láme. To čiňte na mou památku.
24een dankzegging sprak, het brak en zeide: “Dit is mijn Lichaam, dat voor u wordt overgeleverd. Doet dit tot mijn gedachtenis.”
25Takž i kalich, když povečeřel, řka: Tento kalich jest ta nová smlouva v mé krvi. To čiňte, kolikrátkoli píti budete, na mou památku.
25Zo ook na de maaltijd de kelk, zeggende: “Deze kelk is het nieuwe Verbond in mijn Bloed. Doet dit, zo dikwijls gij drinkt, tot mijn gedachtenis.”
26Nebo kolikrátž byste koli jedli chléb tento a z kalicha toho pili, smrt Páně zvěstujte, dokavadž nepřijde.
26Welnu, zo dikwijls gij dit brood eet en de kelk drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt.
27A protož kdokoli jedl by chléb tento a pil z kalicha Páně nehodně, vinen bude tělem a krví Páně.
27Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de kelk des Heren drinkt, bezondigt zich aan het Lichaam en Bloed des Heren.
28Zkusiž tedy sám sebe člověk, a tak chléb ten jez, a z toho kalicha pí.
28Laat dus een ieder zichzelf onderzoeken, en dan eerst eten van het brood en drinken van de kelk.
29Nebo kdož jí a pije nehodně, odsouzení sobě jí a pije, nerozsuzuje těla Páně.
29Want wie eet en drinkt, eet en drinkt zich een oordeel, zo hij het Lichaam niet naar waarde beoordeelt.
30Protož mezi vámi jsou mnozí mdlí a nemocní, a spí mnozí,
30Daarom zijn er onder u zoveel zwakken en zieken, en zijn er zovelen ontslapen.
31Ješto kdybychom se sami rozsuzovali, nebyli bychom souzeni.
31Zo we onszelf naar waarheid hadden beoordeeld, zouden we niet geoordeeld worden.
32Ale když býváme souzeni, ode Pána býváme poučováni, abychom s světem nebyli odsouzeni.
32Welnu, als we door den Heer worden gèoordeeld, dan is dat voor ons een les, om niet met de wereld vèroordeeld te worden.
33A tak, bratří moji, když se scházíte k jedení, jedni na druhé čekávejte.
33En daarom, mijn broeders, wanneer gij bijeenkomt om te eten, blijft dan op elkander wachten.
34Pakli kdo lační, doma jez, abyste se nescházeli k odsouzení. Jiné pak věci, když přijdu, zřídím.
34Zo iemand honger heeft, dan moet hij thuis maar eten. Anders komt gij tot uw oordeel bijeen. De andere zaken zal ik wel regelen, wanneer ik kom.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.