1 Korintským
Chapter 10
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

1 Korintským 10

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Nechciť pak, abyste nevěděli, bratří, že otcové naši všickni pod oblakem byli, a všickni moře přešli,
1Ik wil niet, broeders, dat gij er geen acht op zoudt slaan, hoe onze vaders allen onder de wolk waren, allen door de zee heentrokken,
2A všickni v Mojžíše pokřtěni jsou v oblace a v moři,
2en allen door wolk en zee in Moses werden gedoopt;
3A všickni týž pokrm duchovní jedli,
3hoe ze allen dezelfde geestelijke spijs hebben gegeten;
4A všickni týž nápoj duchovní pili. Pili zajisté z duchovní skály, kteráž za nimi šla; a ta skála byl Kristus.
4hoe ze allen dezelfde geestelijke drank hebben gedronken; want ze dronken uit een geestelijke rots, die hen vergezelde, en die rots was Christus.
5Ale ne ve mnohých z nich zalíbilo se Bohu, nebo zhynuli na poušti.
5Toch heeft God in de meesten van hen geen welbehagen gehad, want ze werden neergeveld in de woestijn;
6Ty pak věci za příklad nám býti mají k tomu, abychom nebyli žádostivi zlého, jako i oni žádali.
6en dit is geschied als voorafbeelding voor ons, opdat wij geen begeerte naar het kwade zouden hebben, zoals zij dat hebben gehad.
7Protož nebuďte modláři, jako někteří z nich, jakož psáno jest: Posadil se lid, aby jedl a pil, a vstali, aby hrali.
7Weest ook geen afgodendienaars, zoals sommigen van hen; gelijk geschreven staat: “Het volk zat neer, om te eten en te drinken, en men ging zich vermaken.”
8Aniž smilněme, jako někteří z nich smilnili, a padlo jich jeden den třimecítma tisíců.
8Laten we ook geen ontucht bedrijven, zoals sommigen van hen ontucht bedreven; en op één dag vielen er drie en twintig duizend.
9Ani pokoušejme Krista, jako někteří z nich pokoušeli, a od hadů zhynuli.
9Tarten we ook den Heer niet, zoals sommigen van hen hebben gedaan; en ze kwamen om door de slangen.
10Ani repcete, jako i někteří z nich reptali, a zhynuli od záhubce.
10Mort ook niet, zoals sommigen van hen hebben gemord; en ze werden uitgeroeid door den verderfengel.
11Toto pak všecko u figuře dálo se jim, a napsáno jest k napomenutí našemu, kteříž jsme již na konci světa.
11Dit alles nu overkwam hun als een voorafbeelding voor ons, en het werd opgeschreven tot waarschuwing voor ons, die het einde der tijden beleven.
12A protož kdo se domnívá, že stojí, hlediž, aby nepadl.
12Dus, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valt!
13Pokušení vás nezachvátilo, než lidské. Ale věrnýť jest Bůh, kterýž nedopustí vás pokoušeti nad vaši možnost, ale způsobíť s pokušením také i vysvobození, abyste mohli snésti.
13Gij hebt geen bovenmenselijke bekoring te doorstaan gehad. God is getrouw; Hij zal niet toelaten, dat gij boven uw krachten bekoord wordt, maar met de bekoring zal Hij ook het middel geven, om ze te kunnen doorstaan.
14Protož, moji milí bratří, utíkejtež modlářství.
14En daarom, mijn geliefden, vlucht de afgoderij!
15Jakožto opatrným mluvím. Vy suďte, co pravím.
15Ik spreek tot verstandigen; beoordeelt dus zelf, wat ik zeggen ga.
16Kalich dobrořečení, kterémuž dobrořečíme, zdaliž není společnost krve Kristovy? A chléb, kterýž lámeme, zdaliž není společnost těla Kristova?
16Is de kelk der zegening, die wij zegenen, geen deelgenootschap aan het Bloed van Christus; is het brood, dat wij breken, geen deelgenootschap aan het Lichaam van Christus?
17Nebo jeden chléb, jedno tělo mnozí jsme; všickni zajisté z jednoho chleba jíme.
17Omdat het één Brood is, daarom zijn wij, hoe talrijk ook, één lichaam; want allen hebben wij deel aan het éne Brood.
18Pohleďte na Izraele podle těla. Zdaliž ti, kteříž jedí oběti, nejsou účastníci oltáře?
18Beschouwt het Israël naar het vlees; zijn zij, die de offerspijzen eten, niet in gemeenschap met het altaar?
19Což pak tedy dím? Že modla jest něco? Anebo že modlám obětované něco jest? Nikoli.
19Wat wil ik hiermee zeggen? Dat het offervlees iets is, of dat een afgod iets is?
20Ale toto pravím, že, což obětují pohané, ďáblům obětují, a ne Bohu. Nechtělť bych pak, abyste vy byli účastníci ďáblů.
20Neen, maar wat ze offeren, offeren ze aan duivels en niet aan God. En ik wil niet, dat gij in gemeenschap staat met de duivels.
21Nebo nemůžete kalicha Páně píti a kalicha ďáblů; nemůžete účastníci býti stolu Páně a stolu ďáblů.
21Gij kunt de kelk des Heren niet drinken en de kelk der duivels. Gij kunt geen deel hebben aan de Tafel des Heren en aan de tafel der duivels.
22Èili k hněvu popouzíme Pána? Zdali silnější jsme nežli on?
22Of zouden we den Heer soms willen uitdagen? Zijn wij soms sterker dan Hij?
23Všecko mi sluší, ale ne všecko jest užitečné; všecko mi sluší, ale ne všecko vzdělává.
23Alles is geoorloofd! Maar niet alles is heilzaam! Alles is geoorloofd! Maar niet alles is stichtend.
24Žádný nehledej svých věcí, ale jeden každý toho, což jest bližního.
24Niemand zoeke zijn eigen belang, maar dat van den naaste.
25Všecko, což se v masných krámích prodává, jezte, nic se nevyptávajíce pro svědomí.
25Al wat in de vleeshal verkocht wordt, moogt gij eten, zonder verder onderzoek te doen tot geruststelling van uw geweten.
26Nebo Páněť jest země i plnost její.
26Want: “Aan den Heer behoort de aarde met wat ze bevat.”
27Pozval-liť by vás pak kdo z nevěřících k stolu, a chcete jíti, vše, cožkoli bylo by vám předloženo, jezte, nic se nevyptávajíce pro svědomí.
27Zo een ongelovige u uitnodigt, en gij wilt er heen gaan, eet dan gerust al wat u wordt voorgezet, zonder verder onderzoek te doen tot geruststelling van het geweten.
28Pakli by vám někdo řekl: Toto jest modlám obětované, nejezte pro toho, jenž oznámil, a pro svědomí. Páně zajisté jest země i plnost její.
28Maar zo iemand u zegt: “dit is offervlees,” eet er dan niet van, zowel om hem, die er u opmerkzaam op maakte, als om gewetenswil.
29Svědomí pak pravím ne tvé, ale toho druhého. Nebo proč by měla svoboda má potupena býti od cizího svědomí?
29Ik bedoel niet uw eigen geweten, maar dat van den ander. Waarom toch zou mijn vrijheid op zich zelf genomen afgemeten worden naar het geweten van een ander?
30A poněvadž já s díků činěním požívám, proč mi se rouhají příčinou toho, z čehož já díky činím?
30Wanneer ik na dankzegging van iets geniet, waarom zou ik gesmaald worden om iets, waarvoor ik dankzegging uitspreek?
31Protož buďto že jíte, nebo pijete, anebo cožkoli činíte, všecko k slávě Boží čiňte.
31Derhalve, of gij eet, of drinkt, of wat gij ook doet, doet alles ter ere Gods!
32Bez úrazu buďte i Židům i Řekům i církvi Boží,
32Geeft geen aanstoot aan Joden of heidenen, noch aan de Kerk van God;
33Jakož i já ve všem líbím se všechněm, nehledaje v tom svého užitku, ale mnohých, aby spaseni byli.
33zoals ook ikzelf allen in ieder opzicht terwille ben, en niet mijn eigen belang zoek, maar dat van de grote menigte, opdat ze behouden wordt.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.