Jób
Chapter 1
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Jób 1

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Byl muž v zemi Uz, jménem Job, a muž ten byl sprostný a upřímý, boje se Boha, a vystříhaje se zlého.
1Er was eens een man in het land van Oes, Job geheten. Deze man was onberispelijk en rechtschapen; hij vreesde God en schuwde het kwaad.
2Kterémuž se narodilo sedm synů a tři dcery.
2Hij had zeven zonen en drie dochters gekregen;
3A měl dobytka sedm tisíc ovec, tři tisíce velbloudů, pět set spřežení volů, a pět set oslic, a čeledi služebné velmi mnoho, a byl muž ten vznešenější nade všecky lidi východní.
3bovendien bezat hij een kudde van zevenduizend schapen, drieduizend kamelen, vijfhonderd span ossen, vijfhonderd ezelinnen en een groot aantal slaven, zodat hij wel de aanzienlijkste man was van alle bewoners van het oosten.
4I scházívali se synové jeho, a strojívali hody po domích, každý ve dni svém. Posílávali také, a zvávali své tři sestry, aby jedly a pily s nimi.
4Zijn zonen waren gewoon, om elk op zijn beurt en in zijn eigen huis een feestmaal te houden, waarop zij ook hun drie zusters uitnodigden, om met hen te eten en te drinken.
5A když vypořádali dny hodů, posílával Job, a posvěcoval jich, a vstávaje ráno, obětoval zápaly podlé počtu všech jich. Nebo říkával Job: Snad zhřešili synové moji, aneb zlořečili Bohu v srdci svém. Tak činíval Job po všecky ty dny.
5Maar zodra dan de dagen van het feestmaal voorbij waren, liet Job ze bij zich ontbieden, om hen te heiligen, en droeg dan in de vroege morgen voor ieder van hen een brandoffer op. Want Job dacht: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd en God vervloekt in hun hart. Zo deed Job geregeld.
6Jednoho pak dne, když přišli synové Boží, aby se postavili před Hospodinem, přišel také i Satan mezi ně.
6Het gebeurde nu op zekere dag, dat de zonen Gods voor Jahweh verschenen, en dat ook de satan zich in hun midden bevond.
7Tedy řekl Hospodin Satanovi: Odkud jdeš? I odpověděl Satan Hospodinu, řka: Procházel jsem zemi, a obcházel jsem ji.
7En Jahweh sprak tot satan: Waar komt ge vandaan? Satan gaf Jahweh ten antwoord: Van een zwerfen speurtocht over de aarde.
8I řekl Hospodin Satanovi: Spatřil-lis služebníka mého Joba, že není jemu rovného na zemi, a že jest muž sprostný a upřímý, bojící se Boha a varující se zlého.
8Jahweh vroeg Satan: Hebt ge daarbij gelet op mijn dienaar Job, en hoe er op aarde zijns gelijke niet is: geen zo onberispelijk en rechtschapen, geen die God vreest en het kwaad schuwt, als hij?
9A odpovídaje Satan Hospodinu, řekl: Zdaliž se Job darmo bojí Boha?
9Maar satan gaf Jahweh ten antwoord: Is Job soms godvrezend om niet?
10Zdaž jsi ty ho neohradil i domu jeho a všeho, což má, se všech stran? Dílu rukou jeho požehnal jsi, a dobytek jeho rozmnožil se na zemi.
10Hebt Gij hem, zijn gezin en al wat hij heeft, niet van alle kant met een haag omringd; hebt Gij het werk zijner handen niet gezegend, en overstroomt niet zijn kudde het land?
11Ale vztáhni nyní ruku svou, a dotkni se všeho, což má, nebude-liť zlořečiti v oči.
11Maar strek uw hand eens tegen hem uit, en tast hem eens aan in wat hij bezit: dan vloekt hij U in het aangezicht!
12Tedy řekl Hospodin Satanovi: Aj, cožkoli má, v moci tvé buď, toliko na něj nevztahuj ruky své. I vyšel Satan od tváři Hospodinovy.
12Daarop sprak Jahweh tot satan: Ge moogt doen wat ge wilt met heel zijn bezit; maar hemzelf raakt ge met de hand niet aan! Zo ging satan van Jahweh heen.
13Jednoho pak dne synové a dcery jeho jedli, a pili víno v domě bratra svého prvorozeného.
13Toen nu enige tijd later de zonen en dochters van Job in het huis van hun oudsten broer zaten te eten en wijn te drinken,
14I přišel posel k Jobovi, a řekl: Když volové orali, a oslice se pásly podlé nich,
14kwam hem een bode berichten: De Sjabeërs hebben een inval gedaan, terwijl uw ossen aan het ploegen waren, en de ezelinnen vlak bij hen graasden;
15Vpád učinivše Sabejští, zajali je, a služebníky zbili ostrostí meče, a utekl jsem toliko já sám, abych oznámil tobě.
15zij hebben ze weggeroofd en uw knechten over de kling gejaagd; ik alleen ben ontsnapt, en kom het u melden!
16A když on ještě mluvil, přišed druhý, řekl: Oheň Boží spadl s nebe, a rozpáliv se na dobytek i na služebníky, sehltil je, já pak utekl jsem toliko sám, abych oznámil tobě.
16Nog was hij niet uitgesproken, of een tweede kwam binnen en riep: De bliksem is uit de hemel geslagen, en heeft uw kudde met de herders verbrand en verteerd; ik alleen ben ontsnapt, en kom het u melden!
17A když ten ještě mluvil, jiný přišed, řekl: Kaldejští sšikovavše tři houfy, připadli na velbloudy, a zajali je, a služebníky zbili ostrostí meče, a utekl jsem toliko já sám, abych oznámil tobě.
17Nog was deze niet uitgesproken, of een derde kwam binnen en riep: De Chaldeën, in drie benden gesplitst, hebben zich op uw kamelen geworpen, ze weggeroofd, en uw knechten over de kling gejaagd; ik alleen ben ontsnapt, en kom het u melden!
18A když ten ještě mluvil, jiný přišel a řekl: Synové tvoji a dcery tvé jedli, a pili víno v domě bratra svého prvorozeného.
18En nog was hij niet uitgesproken, of weer een ander kwam binnen en riep: Terwijl uw zonen en dochters zaten te eten en wijn te drinken in het huis van hun oudsten broer,
19A aj, vítr veliký strhl se z té strany od pouště, a udeřil na čtyři úhly domu, tak že se obořil na děti, i zemřeli, a utekl jsem toliko já sám, abych oznámil tobě.
19stak er eensklaps een geweldige storm op uit de richting van de woestijn, die het huis aan al de vier hoeken deed schudden; het stortte boven de kinderen in, en zij stierven; ik alleen ben ontsnapt, en kom het u melden!
20Tedy Job vstav, roztrhl roucho své, a oholil hlavu svou, a padna na zem, poklonu učinil.
20Toen stond Job op en scheurde zijn kleed; hij schoor zijn hoofd en wierp zich plat ter aarde neer.
21A řekl: Nahý jsem vyšel z života matky své, nahý se také zase tam navrátím. Hospodin dal, Hospodin též odjal. Buď požehnáno jméno Hospodinovo.
21Maar hij sprak: Naakt kwam ik uit de schoot van mijn moeder; Naakt keer ik er terug! Het was Jahweh, die gaf; het was Jahweh, die nam: De Naam van Jahweh zij gezegend!
22V tom ve všem nezhřešil Job, a nepřivlastnil Bohu nic nemoudrého.
22Dus ondanks dit alles heeft Job niet gezondigd, en geen onvertogen woord tot God gericht.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.