Jób
Chapter 33
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Jób 33

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Slyšiž tedy, prosím, Jobe, řeči mé, a všech slov mých ušima svýma pozoruj.
1Luister nu, Job, naar mijn rede, En leen het oor aan heel mijn betoog.
2Aj, jižť otvírám ústa svá, mluví jazyk můj v ústech mých.
2Zie, ik heb mijn mond geopend, Mijn tong in mijn gehemelte spreekt;
3Upřímost srdce mého a umění vynesou rtové moji.
3Mijn hart stort woorden van wijsheid uit, Mijn lippen verkonden duidelijke taal!
4Duch Boha silného učinil mne, a dchnutí Všemohoucího dalo mi život.
4De geest van God heeft mij gemaakt, De adem van den Almachtige mij het leven geschonken;
5Můžeš-li, odpovídej mi, připrav se proti mně, a postav se.
5Antwoord mij dus, zo ge kunt; Houd u gereed, stel u tegen mij op!
6Aj, já podlé žádosti tvé buduť místo Boha silného; z bláta sformován jsem i já.
6Ik ben dus voor God aan u gelijk, Ook ik ben gekneed uit leem:
7Pročež strach ze mne nepředěsí tě, a ruka má nebudeť k obtížení.
7Dus behoeft u geen vrees voor mij te verschrikken Mijn hand niet zwaar u te drukken.
8Řekl jsi pak přede mnou, a hlas ten řečí tvých slyšel jsem:
8Ge hebt voor mijn eigen oren verklaard, En ik heb uw woorden verstaan:
9Èist jsem, bez přestoupení, nevinný jsem, a nepravosti při mně není.
9“Ik ben rein, zonder zonde, Ik ben zuiver, op mij rust geen schuld!”
10Aj, příčiny ku potření mne shledal Bůh, klade mne sobě za nepřítele,
10“Toch vindt Hij klachten tegen mij, En behandelt mij als zijn vijand;
11Svírá poutami nohy mé, střeže všech stezek mých.
11Hij steekt mijn voeten in het blok, Bespiedt al mijn gangen.
12Aj, tím nejsi spravedliv, odpovídám tobě, nebo větší jest Bůh nežli člověk.
12Zie, als ik roep, antwoordt Hij niet Want God is groter dan een mens!”
13Oč se s ním nesnadníš? Žeť všech svých věcí nezjevuje?
13Hoe hebt ge Hem durven verwijten, Dat Hij op geen van uw woorden antwoord geeft?
14Ano jednou mluví Bůh silný, i dvakrát, a nešetří toho člověk.
14Het is, omdat God slechts eenmaal spreekt, En het geen tweede keer herhaalt:
15Skrze sny u vidění nočním, když připadá hluboký sen na lidi ve spaní na ložci,
15In een droom, in een nachtelijk visioen In de sluimering op de sponde.
16Tehdáž odkrývá ucho lidem, a čemu je učí, to zpečeťuje,
16Dan opent Hij het oor van de mensen, En verschrikt hen door zijn visioenen,
17Aby odtrhl člověka od skutku zlého, a pýchu od muže vzdálil,
17Om den mens van trots te weerhouden, Den man voor hoogmoed te behoeden;
18A zachoval duši jeho od jámy, a život jeho aby netrefil na meč.
18Om zo zijn ziel voor de groeve te bewaren, Zijn leven voor de gang naar het graf.
19Tresce i bolestí na lůži jeho, a všecky kosti jeho násilnou nemocí,
19Dan kastijdt Hij hem door smart op zijn sponde, Door een koorts in zijn beenderen zonder eind,
20Tak že sobě život jeho oškliví pokrm, a duše jeho krmi nejlahodnější.
20Zodat zijn leven van het brood gaat walgen, Zijn ziel van de begeerlijkste spijs;
21Hyne tělo jeho patrně, a vyhlédají kosti jeho, jichž prvé nebylo vídati.
21Zijn vlees slinkt zienderogen weg, Zijn gebeente, eens onzichtbaar, ligt bloot.
22A tak bývá blízká hrobu duše jeho, a život jeho smrtelných ran.
22Maar zelfs als zijn ziel het graf al nabij is, Zijn leven het oord van de doden: Zo hij besluit in zijn hart, zich tot God te keren En hij zijn dwaasheid erkent:
23Však bude-li míti anděla vykladače jednoho z tisíce, kterýž by za člověka oznámil pokání jeho:
23Dan treedt er voor hem een engel op, Een tolk, een uit de duizend. Dan wijst hij den mens op zijn plicht,
24Tedy smiluje se nad ním, a dí: Vyprosť jej, ať nesstoupí do porušení, oblíbilť jsem mzdu vyplacení.
24Ontfermt zich zijner, en spreekt: Laat hem toch niet in de groeve dalen, Ik heb zijn losprijs gevonden
25I odmladne tělo jeho nad dítěcí, a navrátí se ke dnům mladosti své.
25Zijn vlees worde frisser dan in zijn jeugd, Hij kere tot zijn jonkheid terug!
26Kořiti se bude Bohu, a zamiluje jej, a patřiti bude na něj tváří ochotnou; nadto navrátí člověku spravedlnost jeho.
26Dan laat God Zich verbidden; genadig neemt Hij hem aan, Doet hem zijn aanschijn met jubel aanschouwen, En schenkt den mens zijn gerechtigheid terug.
27Kterýž hledě na lidi, řekne: Zhřešilť jsem byl, a to, což pravého bylo, převrátil jsem, ale nebylo mi to prospěšné.
27Dan juicht hij het uit voor de mensen, en zegt: Ik heb gezondigd, het recht verdraaid, Maar Hij heeft het niet op mij gewroken!
28Bůh však vykoupil duši mou, aby nešla do jámy, a život můj, aby světlo spatřoval.
28Zo behoedt Hij zijn ziel voor de gang naar het graf, En verlustigt zijn leven zich in het licht!
29Aj, všeckoť to dělá Bůh silný dvakrát i třikrát při člověku,
29Zie, dit alles doet God Tweemaal, driemaal met een mens:
30Aby odvrátil duši jeho od jámy, a aby osvícen byl světlem živých.
30Hij brengt zijn leven terug van het graf, En bestraalt hem met het levenslicht!
31Pozoruj, Jobe, poslouchej mne, mlč, ať já mluvím.
31Luister dus, Job, en hoor naar mij; Zwijg stil, en laat het spreken aan mij.
32Jestliže máš slova, odpovídej mi, nebo bych chtěl ospravedlniti tebe.
32Hebt ge dan iets te zeggen, antwoord mij; Spreek dan, want ik geef u gaarne gelijk.
33Pakli nic, ty mne poslouchej; mlč, a poučím tě moudrosti.
33Zo niet, luister naar mij, En zwijg, ik zal u wijsheid leren!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.