Jób
Chapter 41
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Jób 41

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Není žádného tak smělého, kdo by jej zbudil, kdož tedy postaví se přede mnou?
1Vangt gij den Krokodil met de angel, Bindt ge hem de tong met koorden vast;
2Kdo mne čím předšel, abych se jemu odplacel? Cožkoli jest pode vším nebem, mé jest.
2Steekt ge hem een stok door de neus, Haalt ge een ring door zijn kaken;
3Nebudu mlčeti o údech jeho, a o síle výborného sformování jeho.
3Zal hij heel veel tot u smeken, Of lieve woordjes tot u richten?
4Kdo odkryl svrchek oděvu jeho? S dvojitými udidly svými kdo k němu přistoupí?
4Zal hij een contract met u sluiten, En neemt ge hem voorgoed in uw dienst;
5Vrata úst jeho kdo otevře? Okolo zubů jeho jest hrůza.
5Kunt ge met hem als met een vogeltje spelen, Bindt ge hem voor uw dochtertjes vast;
6Šupiny jeho pevné jako štítové sevřené velmi tuze.
6Kunnen uw makkers hem verhandelen, En onder de venters verdelen?
7Jedna druhé tak blízko jest, že ani vítr nevchází mezi ně.
7Kunt ge zijn huid met spiesen beplanten, Zijn kop met een vissersharpoen?
8Jedna druhé se přídrží, a nedělí se.
8Probeer eens, de hand op hem te leggen, Maar denk aan de strijd; ge doet het zeker niet weer,
9Od kýchání jeho zažžehá se světlo, a oči jeho jsou jako záře svitání.
9Want uw hoop komt vast bedrogen uit! Reeds bij zijn aanblik wordt men neergeslagen
10Z úst jeho jako pochodně vycházejí, a jiskry ohnivé vyskakují.
10Er is niemand vermetel genoeg, hem te wekken. Wie houdt voor hem stand,
11Z chřípí jeho vychází dým, jako z kotla vroucího aneb hrnce.
11Wie treedt tegen hem op, en blijft ongedeerd: Onder de ganse hemel Is er niet één!
12Dýchání jeho uhlí rozpaluje, a plamen z úst jeho vychází.
12Ik wil niet zwijgen over zijn leden, Maar spreken over zijn nooit geëvenaarde kracht.
13V šíji jeho přebývá síla, a před ním utíká žalost.
13Wie heeft ooit zijn kleed opgelicht, Is doorgedrongen tussen zijn dubbel kuras?
14Kusové masa jeho drží se spolu; celistvé jest v něm, aniž se rozdrobuje.
14Wie opent de dubbele deur van zijn muil; Rondom zijn tanden verschrikking!
15Srdce jeho tuhé jest jako kámen, tak tuhé, jako úlomek zpodního žernovu.
15Zijn rug is als rijen van schilden, Die als een muur van steen hem omsluiten
16Vyskýtání jeho bojí se nejsilnější, až se strachem i vyčišťují.
16Het een ligt vlak naast het ander, Geen tocht kan er door;
17Meč stihající jej neostojí, ani kopí, šíp neb i pancíř.
17Ze grijpen aan elkander vast, En sluiten onscheidbaar aaneen.
18Pokládá železo za plevy, ocel za dřevo shnilé.
18Door zijn niezen danst het licht, Zijn ogen zijn als de wimpers van het morgenrood;
19Nezahání ho střela, v stéblo obrací se jemu kamení prakové.
19Uit zijn muil steken toortsen, En schieten vuurvonken uit;
20Za stéblo počítá střelbu, a posmívá se šermování kopím.
20Er stijgt rook uit zijn neusgaten op, Als uit een dampende en ziedende ketel.
21Pod ním ostré střepiny, stele sobě na věci špičaté jako na blátě.
21Zijn adem zet kolen in vuur, Uit zijn bek stijgen vlammen omhoog;
22Působí, aby vřelo v hlubině jako v kotle, a kormoutilo se moře jako v moždíři.
22In zijn nek zetelt kracht, Ontsteltenis danst voor hem uit;
23Za sebou patrnou činí stezku, až sezdá, že propast má šediny.
23Zijn vleeskwabben sluiten stevig aaneen, Onbeweeglijk aan hem vastgegoten;
24Žádného není na zemi jemu podobného, aby tak učiněn byl bez strachu.
24Zijn hart is vast als een kei, Hecht als een onderste molensteen:
25Cokoli vysokého jest, za nic pokládá, jest králem nade všemi šelmami.
25Voor zijn majesteit sidderen de baren Trekken de golven der zee zich terug.
no verse 26 in this text
26Het zwaard, dat hem treft, is er niet tegen bestand, Geen lans, geen speer en geen schicht.
no verse 27 in this text
27Hij rekent het ijzer voor stro, Voor vermolmd hout het koper;
no verse 28 in this text
28Geen pijlen jagen hem op de vlucht, Slingerstenen zijn hem maar kaf;
no verse 29 in this text
29Een werpspies schijnt hem een riet, Hij lacht om het suizen der knots.
no verse 30 in this text
30Onder zijn buik zitten puntige scherven, Als een dorsslee krabt hij ermee op het slijk;
no verse 31 in this text
31Hij doet de afgrond koken als een ketel, Verandert de zee in een wierookpan;
no verse 32 in this text
32Achter hem aan een lichtend spoor, Als had de afgrond zilveren lokken.
no verse 33 in this text
33Zijns gelijke is er op aarde niet; Geschapen, om niemand te vrezen;
no verse 34 in this text
34Op al wat trots is, ziet hij neer, Hij is koning over alle verscheurende beesten!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.