Job
Chapter 41
JPS Tanakh (Jewish Publi…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1(40-25) Canst thou draw out leviathan with a fish-hook? or press down his tongue with a cord?
1Vangt gij den Krokodil met de angel, Bindt ge hem de tong met koorden vast;
2(40-26) Canst thou put a ring into his nose? or bore his jaw through with a hook?
2Steekt ge hem een stok door de neus, Haalt ge een ring door zijn kaken;
3(40-27) Will he make many supplications unto thee? or will he speak soft words unto thee?
3Zal hij heel veel tot u smeken, Of lieve woordjes tot u richten?
4(40-28) Will he make a covenant with thee, that thou shouldest take him for a servant for ever?
4Zal hij een contract met u sluiten, En neemt ge hem voorgoed in uw dienst;
5(40-29) Wilt thou play with him as with a bird? Or wilt thou bind him for thy maidens?
5Kunt ge met hem als met een vogeltje spelen, Bindt ge hem voor uw dochtertjes vast;
6(40-30) Will the bands of fishermen make a banquet of him? Will they part him among the merchants?
6Kunnen uw makkers hem verhandelen, En onder de venters verdelen?
7(40-31) Canst thou fill his skin with barbed irons? or his head with fish-spears?
7Kunt ge zijn huid met spiesen beplanten, Zijn kop met een vissersharpoen?
8(40-32) Lay thy hand upon him; think upon the battle, thou wilt do so no more.
8Probeer eens, de hand op hem te leggen, Maar denk aan de strijd; ge doet het zeker niet weer,
9(41-1) Behold, the hope of him is in vain; shall not one be cast down even at the sight of him?
9Want uw hoop komt vast bedrogen uit! Reeds bij zijn aanblik wordt men neergeslagen
10(41-2) None is so fierce that dare stir him up; who then is able to stand before Me?
10Er is niemand vermetel genoeg, hem te wekken. Wie houdt voor hem stand,
11(41-3) Who hath given Me anything beforehand, that I should repay him? Whatsoever is under the whole heaven is Mine.
11Wie treedt tegen hem op, en blijft ongedeerd: Onder de ganse hemel Is er niet één!
12(41-4) Would I keep silence concerning his boastings, or his proud talk, or his fair array of words?
12Ik wil niet zwijgen over zijn leden, Maar spreken over zijn nooit geëvenaarde kracht.
13(41-5) Who can uncover the face of his garment? Who shall come within his double bridle?
13Wie heeft ooit zijn kleed opgelicht, Is doorgedrongen tussen zijn dubbel kuras?
14(41-6) Who can open the doors of his face? Round about his teeth is terror.
14Wie opent de dubbele deur van zijn muil; Rondom zijn tanden verschrikking!
15(41-7) His scales are his pride, shut up together as with a close seal.
15Zijn rug is als rijen van schilden, Die als een muur van steen hem omsluiten
16(41-8) One is so near to another, that no air can come between them.
16Het een ligt vlak naast het ander, Geen tocht kan er door;
17(41-9) They are joined one to another; they stick together, that they cannot be sundered.
17Ze grijpen aan elkander vast, En sluiten onscheidbaar aaneen.
18(41-10) His sneezings flash forth light, and his eyes are like the eyelids of the morning.
18Door zijn niezen danst het licht, Zijn ogen zijn als de wimpers van het morgenrood;
19(41-11) Out of his mouth go burning torches, and sparks of fire leap forth.
19Uit zijn muil steken toortsen, En schieten vuurvonken uit;
20(41-12) Out of his nostrils goeth smoke, as out of a seething pot and burning rushes.
20Er stijgt rook uit zijn neusgaten op, Als uit een dampende en ziedende ketel.
21(41-13) His breath kindleth coals, and a flame goeth out of his mouth.
21Zijn adem zet kolen in vuur, Uit zijn bek stijgen vlammen omhoog;
22(41-14) In his neck abideth strength, and dismay danceth before him.
22In zijn nek zetelt kracht, Ontsteltenis danst voor hem uit;
23(41-15) The flakes of his flesh are joined together; they are firm upon him; they cannot be moved.
23Zijn vleeskwabben sluiten stevig aaneen, Onbeweeglijk aan hem vastgegoten;
24(41-16) His heart is as firm as a stone; yea, firm as the nether millstone.
24Zijn hart is vast als een kei, Hecht als een onderste molensteen:
25(41-17) When he raiseth himself up, the mighty are afraid; by reason of despair they are beside themselves.
25Voor zijn majesteit sidderen de baren Trekken de golven der zee zich terug.
26(41-18) If one lay at him with the sword, it will not hold; nor the spear, the dart, nor the pointed shaft.
26Het zwaard, dat hem treft, is er niet tegen bestand, Geen lans, geen speer en geen schicht.
27(41-19) He esteemeth iron as straw, and brass as rotten wood.
27Hij rekent het ijzer voor stro, Voor vermolmd hout het koper;
28(41-20) The arrow cannot make him flee; slingstones are turned with him into stubble.
28Geen pijlen jagen hem op de vlucht, Slingerstenen zijn hem maar kaf;
29(41-21) Clubs are accounted as stubble; he laugheth at the rattling of the javelin.
29Een werpspies schijnt hem een riet, Hij lacht om het suizen der knots.
30(41-22) Sharpest potsherds are under him; he spreadeth a threshing-sledge upon the mire.
30Onder zijn buik zitten puntige scherven, Als een dorsslee krabt hij ermee op het slijk;
31(41-23) He maketh the deep to boil like a pot; he maketh the sea like a seething mixture.
31Hij doet de afgrond koken als een ketel, Verandert de zee in een wierookpan;
32(41-24) He maketh a path to shine after him; one would think the deep to be hoary.
32Achter hem aan een lichtend spoor, Als had de afgrond zilveren lokken.
33(41-25) Upon earth there is not his like, who is made to be fearless.
33Zijns gelijke is er op aarde niet; Geschapen, om niemand te vrezen;
34(41-26) He looketh at all high things; he is king over all the proud beasts.
34Op al wat trots is, ziet hij neer, Hij is koning over alle verscheurende beesten!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.