Job
Chapter 31
JPS Tanakh (Jewish Publi…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1I made a covenant with mine eyes; how then should I look upon a maid?
1Toch had ik een verbond met mijn ogen gesloten, Om niet te kijken naar een maagd.
2For what would be the portion of God from above, and the heritage of the Almighty from on high?
2Want wat is het lot, door God in den hoge beschikt, Het erfdeel door den Almachtige daarboven bepaald?
3Is it not calamity to the unrighteous, and disaster to the workers of iniquity?
3Het is de ondergang voor den ongerechte, Voor den boosdoener onheil!
4Doth not He see my ways, and count all my steps?
4Slaat Hij mijn wegen niet gade, En telt Hij al mijn schreden niet?
5If I have walked with vanity, and my foot hath hasted to deceit —
5Ben ik ooit met leugens omgegaan, Of heeft zich mijn voet gerept tot bedrog?
6Let me be weighed in a just balance, that God may know mine integrity —
6God wege mij slechts op een eerlijke schaal, En Hij zal mijn onschuld moeten erkennen!
7If my step hath turned out of the way, and my heart walked after mine eyes, and if any spot hath cleaved to my hands;
7Indien mijn tred is afgeweken Van het rechte pad; Mijn hart mijn ogen achterna is gelopen, Of smetten aan mijn handen kleven:
8Then let me sow, and let another eat; yea, let the produce of my field be rooted out.
8Dan moge ik zaaien, een ander het eten, En wat ik geplant heb, worde uitgerukt!
9If my heart have been enticed unto a woman, and I have lain in wait at my neighbour's door;
9Indien mijn hart is verleid door een vrouw, Ik geloerd heb aan de deur van mijn naaste:
10Then let my wife grind unto another, and let others bow down upon her.
10Dan moge mijn vrouw voor een ander malen, En mogen anderen haar bezitten;
11For that were a heinous crime; yea, it were an iniquity to be punished by the judges.
11Want dat zou een schanddaad zijn, En een halszaak voor het gerecht!
12For it is a fire that consumeth unto destruction, and would root out all mine increase.
12Dan brande een vuur tot het dodenrijk En vertere heel mijn bezit!
13If I did despise the cause of my man-servant, or of my maid-servant, when they contended with me —
13Indien ik het recht van mijn slaaf heb verkracht, Of van mijn slavin, met mij in geschil:
14What then shall I do when God riseth up? And when He remembereth, what shall I answer Him?
14Wat zou ik doen, als God Zich verhief, Wat Hem antwoorden, als Hij de zaak onderzocht?
15Did not He that made me in the womb make him? And did not One fashion us in the womb?
15Heeft Hij, die mij in de moederschoot schiep, ook hen niet gemaakt, Heeft niet Een en Dezelfde ons in haar lichaam gevormd?
16If I have withheld aught that the poor desired, or have caused the eyes of the widow to fail;
16Heb ik ooit een arme een bede geweigerd, De ogen van een weduwe laten versmachten;
17Or have eaten my morsel myself alone, and the fatherless hath not eaten thereof —
17Heb ik ooit alleen mijn brood genuttigd, En de wees daarvan niet mee laten eten?
18Nay, from my youth he grew up with me as with a father, and I have been her guide from my mother's womb.
18Neen, van kindsbeen af bracht ik hem groot als een vader, Van de moederschoot af ben ik haar leidsman geweest.
19If I have seen any wanderer in want of clothing, or that the needy had no covering;
19Heb ik ooit een zwerver zonder kleding gezien, Of een arme zonder bedekking;
20If his loins have not blessed me, and if he were not warmed with the fleece of my sheep;
20Hebben zijn lendenen mij niet moeten zegenen, Werd hij niet verwarmd door de wol mijner schapen?
21If I have lifted up my hand against the fatherless, because I saw my help in the gate;
21Indien ik mijn hand tegen een rechtschapene ophief, Omdat ik bemerkte, dat men mij in de poort ondersteunde:
22Then let my shoulder fall from the shoulder-blade, and mine arm be broken from the bone.
22Dan valle mijn schouder uit het gewricht, Worde mijn arm uit het gelid gerukt;
23For calamity from God was a terror to me, and by reason of His majesty I could do nothing.
23Dan treffe mij de verschrikking van God, En ik houde geen stand voor zijn Majesteit!
24If I have made gold my hope, and have said to the fine gold: 'Thou art my confidence';
24Indien ik op goud mijn vertrouwen heb gesteld, Het fijnste goud mijn hoop heb genoemd;
25If I rejoiced because my wealth was great, and because my hand had gotten much;
25Mij verheugd heb ik in de macht van mijn rijkdom, En in de geweldige winst van mijn hand:
26If I beheld the sun when it shined, or the moon walking in brightness;
26Indien ik heb opgestaard naar de stralende zon, Naar de glanzende maan, die haar weg vervolgde,
27And my heart hath been secretly enticed, and my mouth hath kissed my hand;
27Zodat mijn hart in het geheim werd verleid, En mijn hand mijn mond heeft gekust
28This also were an iniquity to be punished by the judges; for I should have lied to God that is above.
28Ook dat zou een halszaak voor het gerecht zijn geweest, Omdat ik God in den hoge had verloochend!
29If I rejoiced at the destruction of him that hated me, or exulted when evil found him —
29Heb ik mij in het ongeluk van mijn vijand verheugd, Of gejubeld, omdat onheil hem trof;
30Yea, I suffered not my mouth to sin by asking his life with a curse.
30Heb ik mijn gehemelte niet verboden te zondigen, En door een verwensing zijn leven te eisen;
31If the men of my tent said not: 'Who can find one that hath not been satisfied with his meat?'
31Hebben mijn tentgenoten niet gezegd: Wie verzadigt zich niet aan het vlees van zijn vijand?
32The stranger did not lodge in the street; my doors I opened to the roadside.
32De zwerver behoefde niet buiten te overnachten Voor den reiziger heb ik de deuren geopend.
33If after the manner of men I covered my transgressions, by hiding mine iniquity in my bosom —
33Indien ik mijn misdaad voor de mensen bedekt heb, In mijn boezem mijn schuld heb verborgen,
34Because I feared the great multitude, and the most contemptible among families terrified me, so that I kept silence, and went not out of the door.
34Omdat ik de grote menigte vreesde, En bang was voor de verachting der geslachten: Dan moge ik verstommen, en de deur niet meer uitgaan,
35Oh that I had one to hear me! — Lo, here is my signature, let the Almighty answer me — and that I had the indictment which mine adversary hath written!
35Wie zou er dan nog naar mij horen! Zie hier mijn handtekening! De Almachtige antwoorde mij; Mijn beschuldiger schrijve zijn aanklacht neer!
36Surely I would carry it upon my shoulder; I would bind it unto me as a crown.
36Waarachtig, ik wil ze op mijn schouder nemen Er mij als met een krans mee omhangen;
37I would declare unto him the number of my steps; as a prince would I go near unto him.
37Ik zal Hem mijn schreden een voor een tonen, En voor zijn aanschijn treden als een vorst!
38If my land cry out against me, and the furrows thereof weep together;
38Indien mijn akker tegen mij klaagde Zijn voren gezamenlijk weenden;
39If I have eaten the fruits thereof without money, or have caused the tillers thereof to be disappointed —
39Indien ik zijn vrucht heb genoten, zonder te betalen, En zijn bezitter liet zuchten:
40Let thistles grow instead of wheat, and noisome weeds instead of barley. The words of Job are ended.
40Dan mogen doornen opschieten inplaats van tarwe, En stinkend onkruid inplaats van gerst! Hier eindigen de woorden van Job.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.