Hiob
Chapter 31
Lutherbibel 1912
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Hiob 31

Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ich habe einen Bund gemacht mit meinen Augen, daß ich nicht achtete auf eine Jungfrau.
1Toch had ik een verbond met mijn ogen gesloten, Om niet te kijken naar een maagd.
2Was gäbe mir Gott sonst als Teil von oben und was für ein Erbe der Allmächtige in der Höhe?
2Want wat is het lot, door God in den hoge beschikt, Het erfdeel door den Almachtige daarboven bepaald?
3Wird nicht der Ungerechte Unglück haben und ein Übeltäter verstoßen werden?
3Het is de ondergang voor den ongerechte, Voor den boosdoener onheil!
4Sieht er nicht meine Wege und zählt alle meine Gänge?
4Slaat Hij mijn wegen niet gade, En telt Hij al mijn schreden niet?
5Habe ich gewandelt in Eitelkeit, oder hat mein Fuß geeilt zum Betrug?
5Ben ik ooit met leugens omgegaan, Of heeft zich mijn voet gerept tot bedrog?
6So wäge man mich auf der rechten Waage, so wird Gott erfahren meine Unschuld.
6God wege mij slechts op een eerlijke schaal, En Hij zal mijn onschuld moeten erkennen!
7Ist mein Gang gewichen aus dem Wege und mein Herz meinen Augen nachgefolgt und klebt ein Flecken an meinen Händen,
7Indien mijn tred is afgeweken Van het rechte pad; Mijn hart mijn ogen achterna is gelopen, Of smetten aan mijn handen kleven:
8so müsse ich säen, und ein andrer esse es; und mein Geschlecht müsse ausgewurzelt werden.
8Dan moge ik zaaien, een ander het eten, En wat ik geplant heb, worde uitgerukt!
9Hat sich mein Herz lassen reizen zum Weibe und habe ich an meines Nächsten Tür gelauert,
9Indien mijn hart is verleid door een vrouw, Ik geloerd heb aan de deur van mijn naaste:
10so müsse mein Weib von einem andern geschändet werden, und andere müssen bei ihr liegen;
10Dan moge mijn vrouw voor een ander malen, En mogen anderen haar bezitten;
11denn das ist ein Frevel und eine Missetat für die Richter.
11Want dat zou een schanddaad zijn, En een halszaak voor het gerecht!
12Denn das wäre ein Feuer, das bis in den Abgrund verzehrte und all mein Einkommen auswurzelte.
12Dan brande een vuur tot het dodenrijk En vertere heel mijn bezit!
13Hab ich verachtet das Recht meines Knechtes oder meiner Magd, wenn sie eine Sache wider mich hatten?
13Indien ik het recht van mijn slaaf heb verkracht, Of van mijn slavin, met mij in geschil:
14Was wollte ich tun, wenn Gott sich aufmachte, und was würde ich antworten, wenn er heimsuchte?
14Wat zou ik doen, als God Zich verhief, Wat Hem antwoorden, als Hij de zaak onderzocht?
15Hat ihn nicht auch der gemacht, der mich in Mutterleibe machte, und hat ihn im Schoße ebensowohl bereitet?
15Heeft Hij, die mij in de moederschoot schiep, ook hen niet gemaakt, Heeft niet Een en Dezelfde ons in haar lichaam gevormd?
16Habe ich den Dürftigen ihr Begehren versagt und die Augen der Witwe lassen verschmachten?
16Heb ik ooit een arme een bede geweigerd, De ogen van een weduwe laten versmachten;
17Hab ich meinen Bissen allein gegessen, und hat nicht der Waise auch davon gegessen?
17Heb ik ooit alleen mijn brood genuttigd, En de wees daarvan niet mee laten eten?
18Denn ich habe mich von Jugend auf gehalten wie ein Vater, und von meiner Mutter Leib an habe ich gerne getröstet.
18Neen, van kindsbeen af bracht ik hem groot als een vader, Van de moederschoot af ben ik haar leidsman geweest.
19Hab ich jemand sehen umkommen, daß er kein Kleid hatte, und den Armen ohne Decke gehen lassen?
19Heb ik ooit een zwerver zonder kleding gezien, Of een arme zonder bedekking;
20Haben mich nicht gesegnet seine Lenden, da er von den Fellen meiner Lämmer erwärmt ward?
20Hebben zijn lendenen mij niet moeten zegenen, Werd hij niet verwarmd door de wol mijner schapen?
21Hab ich meine Hand an den Waisen gelegt, weil ich sah, daß ich im Tor Helfer hatte?
21Indien ik mijn hand tegen een rechtschapene ophief, Omdat ik bemerkte, dat men mij in de poort ondersteunde:
22So falle meine Schulter von der Achsel, und mein Arm breche von der Röhre.
22Dan valle mijn schouder uit het gewricht, Worde mijn arm uit het gelid gerukt;
23Denn ich fürchte Gottes Strafe über mich und könnte seine Last nicht ertragen.
23Dan treffe mij de verschrikking van God, En ik houde geen stand voor zijn Majesteit!
24Hab ich das Gold zu meiner Zuversicht gemacht und zu dem Goldklumpen gesagt: “Mein Trost”?
24Indien ik op goud mijn vertrouwen heb gesteld, Het fijnste goud mijn hoop heb genoemd;
25Hab ich mich gefreut, daß ich großes Gut hatte und meine Hand allerlei erworben hatte?
25Mij verheugd heb ik in de macht van mijn rijkdom, En in de geweldige winst van mijn hand:
26Hab ich das Licht angesehen, wenn es hell leuchtete, und den Mond, wenn er voll ging,
26Indien ik heb opgestaard naar de stralende zon, Naar de glanzende maan, die haar weg vervolgde,
27daß ich mein Herz heimlich beredet hätte, ihnen Küsse zuzuwerfen mit meiner Hand?
27Zodat mijn hart in het geheim werd verleid, En mijn hand mijn mond heeft gekust
28was auch eine Missetat ist vor den Richtern; denn damit hätte ich verleugnet Gott in der Höhe.
28Ook dat zou een halszaak voor het gerecht zijn geweest, Omdat ik God in den hoge had verloochend!
29Hab ich mich gefreut, wenn's meinem Feind übel ging, und habe mich überhoben, darum daß ihn Unglück betreten hatte?
29Heb ik mij in het ongeluk van mijn vijand verheugd, Of gejubeld, omdat onheil hem trof;
30Denn ich ließ meinen Mund nicht sündigen, daß ich verwünschte mit einem Fluch seine Seele.
30Heb ik mijn gehemelte niet verboden te zondigen, En door een verwensing zijn leven te eisen;
31Haben nicht die Männer in meiner Hütte müssen sagen: “Wo ist einer, der von seinem Fleisch nicht wäre gesättigt worden?”
31Hebben mijn tentgenoten niet gezegd: Wie verzadigt zich niet aan het vlees van zijn vijand?
32Draußen mußte der Gast nicht bleiben, sondern meine Tür tat ich dem Wanderer auf.
32De zwerver behoefde niet buiten te overnachten Voor den reiziger heb ik de deuren geopend.
33Hab ich meine Übertretungen nach Menschenweise zugedeckt, daß ich heimlich meine Missetat verbarg?
33Indien ik mijn misdaad voor de mensen bedekt heb, In mijn boezem mijn schuld heb verborgen,
34Habe ich mir grauen lassen vor der großen Menge, und hat die Verachtung der Freundschaften mich abgeschreckt, daß ich stille blieb und nicht zur Tür ausging?
34Omdat ik de grote menigte vreesde, En bang was voor de verachting der geslachten: Dan moge ik verstommen, en de deur niet meer uitgaan,
35O hätte ich einen, der mich anhört! Siehe, meine Unterschrift, der Allmächtige antworte mir!, und siehe die Schrift, die mein Verkläger geschrieben!
35Wie zou er dan nog naar mij horen! Zie hier mijn handtekening! De Almachtige antwoorde mij; Mijn beschuldiger schrijve zijn aanklacht neer!
36Wahrlich, dann wollte ich sie auf meine Achsel nehmen und mir wie eine Krone umbinden;
36Waarachtig, ik wil ze op mijn schouder nemen Er mij als met een krans mee omhangen;
37ich wollte alle meine Schritte ihm ansagen und wie ein Fürst zu ihm nahen.
37Ik zal Hem mijn schreden een voor een tonen, En voor zijn aanschijn treden als een vorst!
38Wird mein Land gegen mich schreien und werden miteinander seine Furchen weinen;
38Indien mijn akker tegen mij klaagde Zijn voren gezamenlijk weenden;
39hab ich seine Früchte unbezahlt gegessen und das Leben der Ackerleute sauer gemacht:
39Indien ik zijn vrucht heb genoten, zonder te betalen, En zijn bezitter liet zuchten:
40so mögen mir Disteln wachsen für Weizen und Dornen für Gerste. Die Worte Hiobs haben ein Ende.
40Dan mogen doornen opschieten inplaats van tarwe, En stinkend onkruid inplaats van gerst! Hier eindigen de woorden van Job.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.