Йова
Chapter 31
Kulish and Puluj Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Йова 31

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1З очима моїми вчинив я вмову, щоб і не думати про дївицю.
1Toch had ik een verbond met mijn ogen gesloten, Om niet te kijken naar een maagd.
2Бо й яка ж доля була б менї від Бога з висоти й яке наслїддє від Вседержителя з неба?
2Want wat is het lot, door God in den hoge beschikt, Het erfdeel door den Almachtige daarboven bepaald?
3Чи ж не погибель безбожному, й не допуст лиходїєві?
3Het is de ondergang voor den ongerechte, Voor den boosdoener onheil!
4Та й чи ж не бачив він доріг моїх, — не лїчив всї ступнї мої?
4Slaat Hij mijn wegen niet gade, En telt Hij al mijn schreden niet?
5Як я ходив у марнотї й неправдї, а нога моя квапила до омани, —
5Ben ik ooit met leugens omgegaan, Of heeft zich mijn voet gerept tot bedrog?
6То нехай зважать мене на вазї правди й Бог розпізнає мою безвинність.
6God wege mij slechts op een eerlijke schaal, En Hij zal mijn onschuld moeten erkennen!
7Наколи ноги мої схибили з правої путї й серце моє ходило слїдом за очима моїми, та коли що небудь нечисте прилипло до рук моїх,
7Indien mijn tred is afgeweken Van het rechte pad; Mijn hart mijn ogen achterna is gelopen, Of smetten aan mijn handen kleven:
8Так нехай я сїю, а їсть хто иншій, і нехай пагонцї мої вирвані будуть із коріннєм.
8Dan moge ik zaaien, een ander het eten, En wat ik geplant heb, worde uitgerukt!
9Як до чужої жони коли небудь серце моє загорілось, і я засїдавсь зрадливо під дверима в ближнього мого,
9Indien mijn hart is verleid door een vrouw, Ik geloerd heb aan de deur van mijn naaste:
10Так нехай жінка моя жорнить на другого, й нехай другі збиткуються над нею.
10Dan moge mijn vrouw voor een ander malen, En mogen anderen haar bezitten;
11Се ж бо й гріх і проступок, що під суд підпадає;
11Want dat zou een schanddaad zijn, En een halszaak voor het gerecht!
12Се той огонь, що жере аж до загуби, й він усе майно моє викоренив би до щаду.
12Dan brande een vuur tot het dodenrijk En vertere heel mijn bezit!
13Як би я нехтував право раба чи рабинї моєї, коли б вони правувались зо мною,
13Indien ik het recht van mijn slaaf heb verkracht, Of van mijn slavin, met mij in geschil:
14То що б я робив, коли б Бог встав і поглянув на мене, й що б я міг відказати йому?
14Wat zou ik doen, als God Zich verhief, Wat Hem antwoorden, als Hij de zaak onderzocht?
15Хиба ж бо не той, що мене збудував в утробі, збудував і його, й однако дав нам образ у матернім лонї?
15Heeft Hij, die mij in de moederschoot schiep, ook hen niet gemaakt, Heeft niet Een en Dezelfde ons in haar lichaam gevormd?
16Хиба ж я відказував злиденним у їх просьбі, або томив очі вдові (дожидаючій помочи)?
16Heb ik ooit een arme een bede geweigerd, De ogen van een weduwe laten versmachten;
17Чи сам же я зʼїдав мій шматок хлїба, а не їв з його й сиротина?
17Heb ik ooit alleen mijn brood genuttigd, En de wees daarvan niet mee laten eten?
18Та ж він ріс у мене, як у батька, і ще з малку малого мого піклувавсь я вдовою.
18Neen, van kindsbeen af bracht ik hem groot als een vader, Van de moederschoot af ben ik haar leidsman geweest.
19Як я побачу було кого погибаючого, або без одежі злидаря, що не мав чим прикритись, —
19Heb ik ooit een zwerver zonder kleding gezien, Of een arme zonder bedekking;
20Чи ж не благословляли мене стегна його (за одежу), чи ж не обогрівала його вовна з отари моєї?
20Hebben zijn lendenen mij niet moeten zegenen, Werd hij niet verwarmd door de wol mijner schapen?
21Як на безбатьченка зняв я руку, хоч я знав, що мати му оборону в воротях (на судї),
21Indien ik mijn hand tegen een rechtschapene ophief, Omdat ik bemerkte, dat men mij in de poort ondersteunde:
22То нехай рамено моє відпаде од плеча, а рука моя відломиться від ліктя,
22Dan valle mijn schouder uit het gewricht, Worde mijn arm uit het gelid gerukt;
23Бо страшна менї була б кара від Бога: я б перед величчю його не устоявся.
23Dan treffe mij de verschrikking van God, En ik houde geen stand voor zijn Majesteit!
24Не вже ж покладав я в золотї опору мою, або промовляв до скарбу: ти надїя моя?
24Indien ik op goud mijn vertrouwen heb gesteld, Het fijnste goud mijn hoop heb genoemd;
25Чи ж я тїшився моїм статком великим, та що рука моя придбала багато?
25Mij verheugd heb ik in de macht van mijn rijkdom, En in de geweldige winst van mijn hand:
26Дивлячись на сонце, як воно сяє, як той місяць велично пливе,
26Indien ik heb opgestaard naar de stralende zon, Naar de glanzende maan, die haar weg vervolgde,
27Чи дав я увестись серцю мойму тайкома, та й чи ж цїлували уста мої (на їх шану) руку мою?
27Zodat mijn hart in het geheim werd verleid, En mijn hand mijn mond heeft gekust
28Та ж се був би проступок, підпадаючий під суд, бо тодї відрікся б я Бога Всевишнього.
28Ook dat zou een halszaak voor het gerecht zijn geweest, Omdat ik God in den hoge had verloochend!
29Чи радїв я з погибелї ворога мого, або веселився, коли постигло його нещастє?
29Heb ik mij in het ongeluk van mijn vijand verheugd, Of gejubeld, omdat onheil hem trof;
30Нї! я нїколи не дав устам моїм волї, грішити, проклинаючи душу його.
30Heb ik mijn gehemelte niet verboden te zondigen, En door een verwensing zijn leven te eisen;
31Чи не говорила ж челядь шатра мого: хто ж не наситився б мясом його?
31Hebben mijn tentgenoten niet gezegd: Wie verzadigt zich niet aan het vlees van zijn vijand?
32Приходень нїколи не ночував на улицї; двері мої отвирав я всякому, хто мимо проходив.
32De zwerver behoefde niet buiten te overnachten Voor den reiziger heb ik de deuren geopend.
33Коли б я робом людським таїв проступки мої, й скривав у грудях хиби мої,
33Indien ik mijn misdaad voor de mensen bedekt heb, In mijn boezem mijn schuld heb verborgen,
34То менї страшно було б перед громадою, й погорда краян лякала б мене, й я мовчав би та й не виходив за двері.
34Omdat ik de grote menigte vreesde, En bang was voor de verachting der geslachten: Dan moge ik verstommen, en de deur niet meer uitgaan,
35О, коли б то хтось переслухав мене! Се моє бажаннє, щоб Вседержитель дав відповідь менї, а оборонник мій все те списав!
35Wie zou er dan nog naar mij horen! Zie hier mijn handtekening! De Almachtige antwoorde mij; Mijn beschuldiger schrijve zijn aanklacht neer!
36Я носив би той запис на плечах моїх, і вкладав собі, як вінець;
36Waarachtig, ik wil ze op mijn schouder nemen Er mij als met een krans mee omhangen;
37Я б виявив йому кожний ступінь мій, а наближався б до його, мов до князя.
37Ik zal Hem mijn schreden een voor een tonen, En voor zijn aanschijn treden als een vorst!
38Коли поле моє проти мене кричало, і загони його на мене нарікали;
38Indien mijn akker tegen mij klaagde Zijn voren gezamenlijk weenden;
39Коли їв я вроджай його та й не віддячив за його, й томив життє робітників,
39Indien ik zijn vrucht heb genoten, zonder te betalen, En zijn bezitter liet zuchten:
40То нехай замість пшеницї росте в мене осетий, а замість ячменю — кукіль! І скінчились слова Йовові.
40Dan mogen doornen opschieten inplaats van tarwe, En stinkend onkruid inplaats van gerst! Hier eindigen de woorden van Job.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.