Йова 37
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1А від сього тремтить серце в менї й зрушилось із місця свого.
1Ja, hierover siddert mijn hart, En springt op van zijn plaats.
2Слухайте, слухайте грому; се голос, що виходить із уст його.
2Hoort, hoort het bulderen van zijn stem, Het gebrom, dat komt uit zijn mond.
3По під усїм небом реве він, блиск його — на всю землю.
3Langs heel de hemel slingert Hij zijn bliksem, En tot de grenzen der aarde.
4Ззаду його гуде голос; грімить він голосом величі своєї й не зʼупиняє його, коли голос його почуто.
4Zijn stem gromt achter Hem aan, Hij dondert met zijn machtige kreet; Hij houdt de bliksem niet terug, Wanneer zijn stem zich laat horen.
5Гласом своїм грімить Бог предивно, творить дїла великі, нам недослїдимі.
5Maar ook wonderen wrocht God door zijn stem, Doet grote, onbegrijpelijke dingen!
6Він каже снїгові: Окрий землю! Ливень і дощ в його волї.
6Hij spreekt tot de sneeuw: Val op aarde neer; Tot de regenstromen: Weest hevig!
7Людям печатає руки, щоб усї взнали дїло його.
7Dan sluit Hij alle mensen op, Opdat ieder sterveling zijn werk erkent;
8Зьвір утїкає в свій сховок і держиться в своїх леговищах.
8Ook de dieren zoeken hun schuilplaats op, En leggen zich neer in hun holen.
9Буря приходить з полудня, з півночі ж — студень.
9Uit zijn kamer komt de wervelwind, Uit zijn voorraadschuren de koude;
10Від подиху Божого стає лід, і поверхність води стинається.
10Door de adem Gods wordt het ijs gestolten, De watervlakte in boeien gelegd;
11Вогкостю наповняє він хмяри, а облаки сиплють сьвітло його,
11Het zwerk belaadt Hij met dampen, En spreidt zijn lichtende wolken uit.
12І пускаються вони в напрямі намірів його, щоб виконати те, що він приказує їм, на поверхнї заселеної землї,
12Ze zweven naar alle kanten rond, En gaan, zoals Hij het beschikt, Om te volbrengen, wat Hij hun gebiedt, Op de oppervlakte der aarde:
13Він велить їм ійти або на скараннє, або на благословеннє, або на помилуваннє.
13Is het tot straf, ze volbrengen zijn wil; Is het tot zegen, ze voeren hem uit.
14Слухай же сього, Иове; стій і роздумуй чудні дїла Божі.
14Job, schenk er uw aandacht aan, Houd op, en let op Gods wonderen!
15Знаєш же, як він послугуєсь ними, та як із хмари сьвітло викликає?
15Begrijpt ge, hoe God ze gebiedt, En het licht van zijn wolken doet flitsen;
16Розумієш же рівновагу хмар, се чудне дїло (Бога) найзвершеннїйшого в знаннї?
16Begrijpt ge iets van het zweven der wolken, Van de wonderwerken van den Alwetende?
17Як нагрівається одїж твоя, коли він спокійно дихне від полудня?
17Gij, wiens kleren te warm zijn, Als de aarde amechtig van de zuidenwind ligt:
18Або може то ти напинав з ним небеса, тверді, як дзеркало лите?
18Kunt gij, evenals Hij, het zwerk tot een uitspansel strijken, Vast als een spiegel van gegoten metaal?
19Навчи нас, що сказати йому? Ми бо в тій темряві нїчого поняти не можем.
19Laat mij weten, wat wij Hem zullen zeggen, Wij, die door de duisternis hulpeloos staan!
20Чи буде йому звіщено, що я говорю? Хиба ж сказав хто, що сказане доходить до його?
20Zal deze wijken wanneer ik het zeg; Worden weggevaagd, als de mens het beveelt?
21Тепер не видко ясного сьвітла зпоза хмар, але повіє вітер, і проясниться.
21Neen, thans aanschouwt men geen licht, Het is door de wolken verduisterd; Maar een wind steekt op, en bezemt ze weg:
22Сьвітла погода приходить із півночі, а кругом Бога страшна величність.
22En uit het Noorden breekt de goudglans door! God is van ontzagwekkende luister omringd:
23Вседержитель! Ми розумом дослїдити не можем його. Він великий силою, судом і повнотою правосуду. Він же нїкого й не пригнїтає.
23Wij dringen dus niet tot den Almachtige door! Hij is groot in kracht en gerechtigheid; Hij is de Heer van het recht, die nimmer verdrukt!
24То нехай впокоряються перед ним люде, й нехай дрожать перед ним усї, що в серцї мають себе за мудрих!
24Daarom moeten de mensen Hem vrezen, Doorgronden Hem al de wijzen niet!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.