Йова
Chapter 6
Kulish and Puluj Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Йова 6

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1І відказав Йов і промовив:
1Job antwoordde, en sprak:
2О, коли б то зважено по правдї нарікання мої, а разом із ними положено на вагу терпіння мої!
2Ach, mocht mijn wrevel worden gewogen, Maar tegelijk met mijn leed op de weegschaal gelegd:
3Вони певно переважили б пісок у морях! Тим то й слова мої такі гіркі.
3Want omdat het zwaarder is dan het zand aan de zee, Daarom gingen ook mijn woorden de perken te buiten.
4Бо стріли вседержителеві (встромлені) в менї; їх отруту ссе дух мій; страхи Господнї встали на мене.
4Ja, de pijlen van den Almachtige blijven in mij steken, Mijn geest zuigt er het gif van op; De verschrikkingen Gods Stellen zich tegen mij in slagorde op!
5Чи ж реве дикий осел у траві? чи ж риче віл при повних яслах?
5Balkt soms de woudezel bij het gras Of loeit het rund bij zijn kribbe?
6Чи ж їдять несмачне без соли, й чи є смак у яйчній білковинї?
6Kan het laffe zonder zout worden gegeten, Of is er smaak aan het wit van een ei?
7(тим часом) До чого не хотїла й доторкнутись душа моя, те становить гидку їжу мою.
7Neen, ik weiger, het aan te raken, Ze zijn voor mij een walgelijke spijs!
8О, коби то сталось, чого я бажаю, та сповнив Бог те, чого дожидаю!
8Ach, dat mijn bede werd verhoord, En dat God mijn wens mocht vervullen;
9О, коли б то Бог ізволив стерти мене, простерти руку свою і вбити мене!
9Dat het God behaagde, mij te verpletteren, Zijn hand zich bewoog, om mij weg te maaien.
10Се (одно) ще було б відрадою менї, і я кріпився б у безпощадній муцї моїй, що не противився словові Сьвятого.
10Dat zou een troost voor mij zijn, En ik danste ondanks mijn leed: “Hij spaart mij niet, Omdat ik den Heilige mijn wens niet verzweeg!”.
11Що ж за сила в мене, щоб надїятись ще менї? і який конець, щоб протягати менї життє моє?
11Want wat is mijn kracht, dat ik nu nog zou wachten, Wat mijn uitzicht, dat ik langer zou leven?
12Чи ж моя сила тверда, як твердий камінь? чи може мідь тїло моє?
12Is mijn kracht soms als die van een steen, Is mijn vlees soms van brons?
13Чи ж із себе добуду я поміч собі, або чи маю звідкись піддержку?
13Ben ik niet geheel van redding verstoken, Is iedere hulp mij niet ontzegd?
14До страдаючого повинен би мати спожалїннє друг його, наколи він не стратив страху перед Всевишним.
14Maar wie zijn vriend barmhartigheid weigert, Verzaakt de vrees voor den Almachtige!
15Та брати мої перемінні, мов поток, мов ручаї бистротекучі,
15Toch zijn mijn broeders als een beek onbetrouwbaar, Als een stortbeek, die wegstroomt:
16Що каламутні від леду, й повно в них снїгу.
16Die bedekt zijn met ijs, Of bedolven onder sneeuw;
17Як же настане тепло, вони малїють, а під жару вони зникають із русел своїх.
17Zodra de hitte komt, drogen zij uit, Zodra het warm wordt, zijn ze verdwenen.
18Вони змінюють напрям доріг своїх, заходять у пустиню й щезають;
18Ze buigen af van de weg, die ze gaan, En verliezen zich in de woestijn;
19Дивляться, де вони, дороги Темайські; надїються на них дороги Савейські,
19De karavanen van Tema zien er naar uit, De convooien van Sjeba hebben er hun hoop op gevestigd:
20Та стають заведені в надїї своїй: приходять туди, та румянїють від стиду.
20Maar ze worden in hun verwachting beschaamd, Staan bij hun aankomst te schande.
21Так і ви тепер — нїчо: побачили страшне та й полякались.
21Zo zijt gij voor mij nu geworden: Gij aanschouwt mijn ellende, en beangst deinst gij terug!
22Чи я казав вам коли: дайте менї, або заплатїть за мене з достатку вашого;
22Heb ik gevraagd: Geeft mij iets ten geschenke, Of staat mij van uw vermogen iets af;
23І вирятуйте мене з руки ворожої, і з рук мучителїв викупіть мене?
23Of redt mij uit de hand van den vijand, Bevrijdt mij uit de greep der tyrannen?
24Навчіте мене, а я замовкну, укажіть, у чому я провинен.
24Neen, onderricht mij, en dan zal ik zwijgen; Laat mij inzien, waarin ik heb gedwaald!
25Яка то сила в словах правди! Але що ж доказують докори ваші?
25Hoe zoet zijn woorden, die oprecht zijn gemeend, Maar hoe grievend de berisping van u!
26Ви видумуєте речи, щоб докоряти? На вітер пускаєте ви слова ваші!
26Meent gij, mijn woorden te moeten berispen: Woorden van een wanhopige, die in de wind zijn gesproken?
27Ви корите сироту, й копаєте яму другові вашому!
27Wilt gij het lot over een onschuldige werpen, En de staf breken over uw vriend?
28Але я прошу вас: спогляньте на мене; чи буду я говорити неправду перед лицем вашим?
28Welnu dan, wilt mij aanhoren:Ik lieg u toch niet in het gezicht.
29Розберіть, чи є тут неправда? пошукайте, — правда у мене!
29Bezint u, en laat er geen onrecht geschieden; Bezint u, mijn onschuld zal blijken!
30Чи є на язицї в мене неправда? Чи вже ж піднебіннє моє не може досмакуватись гіркого?
30Is er soms onrecht op mijn tong, Of kan mijn gehemelte de rampen niet proeven;

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.