Job
Chapter 6
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Job 6

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Respondens autem Job, dixit:
1Job antwoordde, en sprak:
2[Utinam appenderentur peccata mea quibus iram merui, et calamitas quam patior, in statera !
2Ach, mocht mijn wrevel worden gewogen, Maar tegelijk met mijn leed op de weegschaal gelegd:
3Quasi arena maris hæc gravior appareret; unde et verba mea dolore sunt plena:
3Want omdat het zwaarder is dan het zand aan de zee, Daarom gingen ook mijn woorden de perken te buiten.
4quia sagittæ Domini in me sunt, quarum indignatio ebibit spiritum meum; et terrores Domini militant contra me.
4Ja, de pijlen van den Almachtige blijven in mij steken, Mijn geest zuigt er het gif van op; De verschrikkingen Gods Stellen zich tegen mij in slagorde op!
5Numquid rugiet onager cum habuerit herbam? aut mugiet bos cum ante præsepe plenum steterit?
5Balkt soms de woudezel bij het gras Of loeit het rund bij zijn kribbe?
6aut poterit comedi insulsum, quod non est sale conditum? aut potest aliquis gustare quod gustatum affert mortem?
6Kan het laffe zonder zout worden gegeten, Of is er smaak aan het wit van een ei?
7Quæ prius nolebat tangere anima mea, nunc, præ angustia, cibi mei sunt.
7Neen, ik weiger, het aan te raken, Ze zijn voor mij een walgelijke spijs!
8Quis det ut veniat petitio mea, et quod expecto tribuat mihi Deus?
8Ach, dat mijn bede werd verhoord, En dat God mijn wens mocht vervullen;
9et qui cœpit, ipse me conterat; solvat manum suam, et succidat me?
9Dat het God behaagde, mij te verpletteren, Zijn hand zich bewoog, om mij weg te maaien.
10Et hæc mihi sit consolatio, ut affligens me dolore, non parcat, nec contradicam sermonibus Sancti.
10Dat zou een troost voor mij zijn, En ik danste ondanks mijn leed: “Hij spaart mij niet, Omdat ik den Heilige mijn wens niet verzweeg!”.
11Quæ est enim fortitudo mea, ut sustineam? aut quis finis meus, ut patienter agam?
11Want wat is mijn kracht, dat ik nu nog zou wachten, Wat mijn uitzicht, dat ik langer zou leven?
12Nec fortitudo lapidum fortitudo mea, nec caro mea ænea est.
12Is mijn kracht soms als die van een steen, Is mijn vlees soms van brons?
13Ecce non est auxilium mihi in me, et necessarii quoque mei recesserunt a me.
13Ben ik niet geheel van redding verstoken, Is iedere hulp mij niet ontzegd?
14Qui tollit ab amico suo misericordiam, timorem Domini derelinquit.
14Maar wie zijn vriend barmhartigheid weigert, Verzaakt de vrees voor den Almachtige!
15Fratres mei præterierunt me, sicut torrens qui raptim transit in convallibus.
15Toch zijn mijn broeders als een beek onbetrouwbaar, Als een stortbeek, die wegstroomt:
16Qui timent pruinam, irruet super eos nix.
16Die bedekt zijn met ijs, Of bedolven onder sneeuw;
17Tempore quo fuerint dissipati, peribunt; et ut incaluerit, solventur de loco suo.
17Zodra de hitte komt, drogen zij uit, Zodra het warm wordt, zijn ze verdwenen.
18Involutæ sunt semitæ gressuum eorum; ambulabunt in vacuum, et peribunt.
18Ze buigen af van de weg, die ze gaan, En verliezen zich in de woestijn;
19Considerate semitas Thema, itinera Saba, et expectate paulisper.
19De karavanen van Tema zien er naar uit, De convooien van Sjeba hebben er hun hoop op gevestigd:
20Confusi sunt, quia speravi: venerunt quoque usque ad me, et pudore cooperti sunt.
20Maar ze worden in hun verwachting beschaamd, Staan bij hun aankomst te schande.
21Nunc venistis; et modo videntes plagam meam, timetis.
21Zo zijt gij voor mij nu geworden: Gij aanschouwt mijn ellende, en beangst deinst gij terug!
22Numquid dixi: Afferte mihi, et de substantia vestra donate mihi?
22Heb ik gevraagd: Geeft mij iets ten geschenke, Of staat mij van uw vermogen iets af;
23vel: Liberate me de manu hostis, et de manu robustorum eruite me?
23Of redt mij uit de hand van den vijand, Bevrijdt mij uit de greep der tyrannen?
24Docete me, et ego tacebo: et si quid forte ignoravi, instruite me.
24Neen, onderricht mij, en dan zal ik zwijgen; Laat mij inzien, waarin ik heb gedwaald!
25Quare detraxistis sermonibus veritatis, cum e vobis nullus sit qui possit arguere me?
25Hoe zoet zijn woorden, die oprecht zijn gemeend, Maar hoe grievend de berisping van u!
26Ad increpandum tantum eloquia concinnatis, et in ventum verba profertis.
26Meent gij, mijn woorden te moeten berispen: Woorden van een wanhopige, die in de wind zijn gesproken?
27Super pupillum irruitis, et subvertere nitimini amicum vestrum.
27Wilt gij het lot over een onschuldige werpen, En de staf breken over uw vriend?
28Verumtamen quod cœpistis explete: præbete aurem, et videte an mentiar.
28Welnu dan, wilt mij aanhoren:Ik lieg u toch niet in het gezicht.
29Respondete, obsecro, absque contentione; et loquentes id quod justum est, judicate.
29Bezint u, en laat er geen onrecht geschieden; Bezint u, mijn onschuld zal blijken!
30Et non invenietis in lingua mea iniquitatem, nec in faucibus meis stultitia personabit.]
30Is er soms onrecht op mijn tong, Of kan mijn gehemelte de rampen niet proeven;

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.