Job 32
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Omiserunt autem tres viri isti respondere Job, eo quod justus sibi videretur.
1Toen deze drie mannen het hadden opgegeven, Job te antwoorden, omdat hij zich in hun ogen gerechtvaardigd had,
2Et iratus indignatusque est Eliu filius Barachel Buzites, de cognatione Ram: iratus est autem adversum Job, eo quod justum se esse diceret coram Deo.
2ontbrandde de toorn van Elihoe den zoon van Barakel, den Boeziet, uit het geslacht van Ram. Tegen Job ontbrandde zijn toorn, omdat hij zich tegenover God in het gelijk had gesteld;
3Porro adversum amicos ejus indignatus est, eo quod non invenissent responsionem rationabilem, sed tantummodo condemnassent Job.
3tegen zijn drie vrienden ontbrandde zijn toorn, omdat zij het juiste antwoord niet hadden gevonden, en daardoor God hadden beschuldigd.
4Igitur Eliu expectavit Job loquentem, eo quod seniores essent qui loquebantur.
4Zolang zij met Job spraken, had Elihoe gewacht, omdat zij ouder waren dan hij.
5Cum autem vidisset quod tres respondere non potuissent, iratus est vehementer.
5Maar nu Elihoe bemerkte, dat er uit de mond van de drie mannen geen antwoord meer kwam, ontbrandde zijn toorn.
6Respondensque Eliu filius Barachel Buzites, dixit: [Junior sum tempore, vos autem antiquiores: idcirco, demisso capite, veritus sum vobis indicare meam sententiam.
6En Elihoe, de zoon van Barakel, den Boeziet, nam het woord en sprak: Ik ben jong van dagen, En gij zijt bejaard; Daarom was ik beschroomd en bevreesd, U mijn mening te zeggen.
7Sperabam enim quod ætas prolixior loqueretur, et annorum multitudo doceret sapientiam.
7Ik dacht: Laat de ouderdom spreken, De hoge leeftijd de wijsheid verkonden!
8Sed, ut video, spiritus est in hominibus, et inspiratio Omnipotentis dat intelligentiam.
8Maar het is Gods geest in den mens, De adem van den Almachtige, die hem inzicht verleent;
9Non sunt longævi sapientes, nec senes intelligunt judicium.
9Het zijn dus niet de bejaarden, die wijs zijn, Niet de grijsaards, die weten wat recht is.
10Ideo dicam: Audite me: ostendam vobis etiam ego meam sapientiam.
10Daarom zeg ik: Luistert naar mij; Ik zal u verkonden, wat ik weet.
11Expectavi enim sermones vestros; audivi prudentiam vestram, donec disceptaremini sermonibus;
11Zie, ik heb gewacht op wat gij zoudt zeggen, En geluisterd naar uw betoog; Tot gij de juiste woorden zoudt vinden,
12et donec putabam vos aliquid dicere, considerabam: sed, ut video, non est qui possit arguere Job, et respondere ex vobis sermonibus ejus.
12Heb ik u al mijn aandacht gewijd. Maar zie, niemand van u heeft Job weerlegd, Niemand zijn betoog beantwoord!
13Ne forte dicatis: Invenimus sapientiam: Deus projecit eum, non homo.
13Zegt nu niet: We zijn op de wijsheid gestuit God, geen mens kan hem verslaan!
14Nihil locutus est mihi: et ego non secundum sermones vestros respondebo illi.
14Tegen mij heeft hij nog geen bewijzen gebracht, En met de uwen weerleg ik hem niet.
15Extimuerunt, nec responderunt ultra, abstuleruntque a se eloquia.
15Zij zijn verslagen, weten niets meer te zeggen, De woorden laten hen in de steek.
16Quoniam igitur expectavi, et non sunt locuti: steterunt, nec ultra responderunt:
16Ik heb gewacht, maar zij spreken niet, Ze staan daar, en hebben geen antwoord meer;
17respondebo et ego partem meam, et ostendam scientiam meam.
17Nu wil ik antwoorden op mijn beurt, Wil ik verkonden, wat ik weet!
18Plenus sum enim sermonibus, et coarctat me spiritus uteri mei.
18Want ik ben geladen met woorden, En de geest in mijn binnenste prest mij er toe.
19En venter meus quasi mustum absque spiraculo, quod lagunculas novas disrumpit.
19Zie, mijn geest is als wijn, die niet kan gisten, En die nieuwe zakken doet bersten;
20Loquar, et respirabo paululum: aperiam labia mea, et respondebo.
20Ik moet spreken, om wat lucht te krijgen, Mijn lippen openen, en antwoord geven.
21Non accipiam personam viri, et Deum homini non æquabo.
21Ik wil niemand naar de ogen zien, En niemand vleien, wie het ook is;
22Nescio enim quamdiu subsistam, et si post modicum tollat me factor meus.]
22Want ik heb geen verstand van vleierij: Mijn Schepper rukte mij dan aanstonds weg!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.