Job
Chapter 19
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Job 19

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Respondens autem Job, dixit:
1Job antwoordde, en sprak:
2[Usquequo affligitis animam meam, et atteritis me sermonibus?
2Hoe lang nog blijft gij mij krenken, En mij onder woorden verpletteren?
3En decies confunditis me, et non erubescitis opprimentes me.
3Tien keer beschimpt gij mij reeds, En kwelt gij mij schaamteloos.
4Nempe etsi ignoravi, mecum erit ignorantia mea.
4Zelfs al had ik mij werkelijk misdragen, Dan raakt het wangedrag mij alleen;
5At vos contra me erigimini, et arguitis me opprobriis meis.
5Gij mist het recht, een grote mond tegen mij op te zetten, Mijn schande mij te verwijten!
6Saltem nunc intelligite quia Deus non æquo judicio afflixerit me, et flagellis suis me cinxerit.
6Erkent toch eindelijk, dat God mij kastijdt, En mij in zijn net heeft verstrikt!
7Ecce clamabo, vim patiens, et nemo audiet; vociferabor, et non est qui judicet.
7Zie, ik roep: “Geweld!” maar vind geen verhoring, Ik roep om hulp: mij geschiedt geen recht!
8Semitam meam circumsepsit, et transire non possum: et in calle meo tenebras posuit.
8Hij heeft mijn weg versperd: ik kan niet voorbij, En duisternis op mijn paden gelegd;
9Spoliavit me gloria mea, et abstulit coronam de capite meo.
9Mijn eer heeft Hij mij ontroofd, De kroon mij van het hoofd gerukt.
10Destruxit me undique, et pereo: et quasi evulsæ arbori abstulit spem meam.
10Hij heeft mij van alle kant ondermijnd: en daar ga ik heen; Mijn hoop ontworteld als een boom,
11Iratus est contra me furor ejus, et sic me habuit quasi hostem suum.
11Zijn gramschap tegen mij laten woeden, Mij als zijn vijand behandeld.
12Simul venerunt latrones ejus, et fecerunt sibi viam per me, et obsederunt in gyro tabernaculum meum.
12Als één man rukken zijn benden aan, En banen hun weg naar mij heen; Ze legeren zich rond mijn tent, Ze zijn zonder genade!
13Fratres meos longe fecit a me, et noti mei quasi alieni recesserunt a me.
13Mijn broeders houden zich verre van mij, Mijn bekenden zijn vreemden voor mij;
14Dereliquerunt me propinqui mei, et qui me noverant obliti sunt mei.
14Mijn verwanten verdwenen, Mijn gasten zijn mij vergeten.
15Inquilini domus meæ et ancillæ meæ sicut alienum habuerunt me, et quasi peregrinus fui in oculis eorum.
15Mijn slavinnen zien mij aan voor een vreemde, Ik ben een onbekende voor haar;
16Servum meum vocavi, et non respondit: ore proprio deprecabar illum.
16Ik roep mijn slaaf: hij geeft mij geen antwoord, Zelfs al smeek ik er om.
17Halitum meum exhorruit uxor mea, et orabam filios uteri mei.
17Mijn vrouw walgt van mijn adem, En ik stink voor mijn zonen;
18Stulti quoque despiciebant me: et cum ab eis recessissem, detrahebant mihi.
18Zelfs de kinderen minachten mij, En brutaliseren mij, als ik optreed.
19Abominati sunt me quondam consiliarii mei, et quem maxime diligebam, aversatus est me.
19Al mijn getrouwen verafschuwen mij, Die ik liefhad, keren zich van mij af;
20Pelli meæ, consumptis carnibus, adhæsit os meum, et derelicta sunt tantummodo labia circa dentes meos.
20Mijn vlees teert weg in mijn huid Met mijn tanden knaag ik mijn beenderen af.
21Miseremini mei, miseremini mei saltem vos, amici mei, quia manus Domini tetigit me.
21Erbarming, erbarming: gij tenminste, mijn vrienden, Want de hand van God heeft mij geraakt;
22Quare persequimini me sicut Deus, et carnibus meis saturamini?
22Waarom mij als een hert vervolgen, Nooit verzadigd aan mijn vlees!
23Quis mihi tribuat ut scribantur sermones mei? quis mihi det ut exarentur in libro
23O, werden mijn woorden opgeschreven, Opgetekend in een boek,
24stylo ferreo et plumbi lamina, vel celte sculpantur in silice?
24Met een stift van ijzer en lood Voor eeuwig op een rots gegrift:
25Scio enim quod redemptor meus vivit, et in novissimo die de terra surrecturus sum:
25Ik weet, dat mijn Verlosser leeft, En ten leste op de aarde verschijnt;
26et rursum circumdabor pelle mea, et in carne mea videbo Deum meum:
26Dat ik mij zal oprichten achter mijn huid, En van mijn vlees uit, God zal aanschouwen!
27quem visurus sum ego ipse, et oculi mei conspecturi sunt, et non alius: reposita est hæc spes mea in sinu meo.
27Ja, ik zal Hem aanschouwen, Mijn ogen zullen Hem zien, maar niet meer als vijand; Mijn nieren smachten in mijn schoot,
28Quare ergo nunc dicitis: Persequamur eum, et radicem verbi inveniamus contra eum?
28En wanneer gij dan zegt: Hoe vervolgen we hem, Welk voorwendsel zullen we tegen hem vinden;
29Fugite ergo a facie gladii, quoniam ultor iniquitatum gladius est: et scitote esse judicium.]
29Ducht dan het zwaard voor uzelf, Want dan zal de Gramschap de bozen verdelgen! Om te weten, of er gerechtigheid is!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.