Job 19
Louis Segond 1910Translation
Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Job prit la parole et dit:
1Job antwoordde, en sprak:
2Jusques à quand affligerez-vous mon âme, Et m’écraserez-vous de vos discours?
2Hoe lang nog blijft gij mij krenken, En mij onder woorden verpletteren?
3Voilà dix fois que vous m’outragez; N’avez-vous pas honte de m’étourdir ainsi?
3Tien keer beschimpt gij mij reeds, En kwelt gij mij schaamteloos.
4Si réellement j’ai péché, Seul j’en suis responsable.
4Zelfs al had ik mij werkelijk misdragen, Dan raakt het wangedrag mij alleen;
5Pensez-vous me traiter avec hauteur? Pensez-vous démontrer que je suis coupable?
5Gij mist het recht, een grote mond tegen mij op te zetten, Mijn schande mij te verwijten!
6Sachez alors que c’est Dieu qui me poursuit, Et qui m’enveloppe de son filet.
6Erkent toch eindelijk, dat God mij kastijdt, En mij in zijn net heeft verstrikt!
7Voici, je crie à la violence, et nul ne répond; J’implore justice, et point de justice!
7Zie, ik roep: “Geweld!” maar vind geen verhoring, Ik roep om hulp: mij geschiedt geen recht!
8Il m’a fermé toute issue, et je ne puis passer; Il a répandu des ténèbres sur mes sentiers.
8Hij heeft mijn weg versperd: ik kan niet voorbij, En duisternis op mijn paden gelegd;
9Il m’a dépouillé de ma gloire, Il a enlevé la couronne de ma tête.
9Mijn eer heeft Hij mij ontroofd, De kroon mij van het hoofd gerukt.
10Il m’a brisé de toutes parts, et je m’en vais; Il a arraché mon espérance comme un arbre.
10Hij heeft mij van alle kant ondermijnd: en daar ga ik heen; Mijn hoop ontworteld als een boom,
11Il s’est enflammé de colère contre moi, Il m’a traité comme l’un de ses ennemis.
11Zijn gramschap tegen mij laten woeden, Mij als zijn vijand behandeld.
12Ses troupes se sont de concert mises en marche, Elles se sont frayées leur chemin jusqu’à moi, Elles ont campé autour de ma tente.
12Als één man rukken zijn benden aan, En banen hun weg naar mij heen; Ze legeren zich rond mijn tent, Ze zijn zonder genade!
13Il a éloigné de moi mes frères, Et mes amis se sont détournés de moi;
13Mijn broeders houden zich verre van mij, Mijn bekenden zijn vreemden voor mij;
14Je suis abandonné de mes proches, Je suis oublié de mes intimes.
14Mijn verwanten verdwenen, Mijn gasten zijn mij vergeten.
15Je suis un étranger pour mes serviteurs et mes servantes, Je ne suis plus à leurs yeux qu’un inconnu.
15Mijn slavinnen zien mij aan voor een vreemde, Ik ben een onbekende voor haar;
16J’appelle mon serviteur, et il ne répond pas; Je le supplie de ma bouche, et c’est en vain.
16Ik roep mijn slaaf: hij geeft mij geen antwoord, Zelfs al smeek ik er om.
17Mon humeur est à charge à ma femme, Et ma plainte aux fils de mes entrailles.
17Mijn vrouw walgt van mijn adem, En ik stink voor mijn zonen;
18Je suis méprisé même par des enfants; Si je me lève, je reçois leurs insultes.
18Zelfs de kinderen minachten mij, En brutaliseren mij, als ik optreed.
19Ceux que j’avais pour confidents m’ont en horreur, Ceux que j’aimais se sont tournés contre moi.
19Al mijn getrouwen verafschuwen mij, Die ik liefhad, keren zich van mij af;
20Mes os sont attachés à ma peau et à ma chair; Il ne me reste que la peau des dents.
20Mijn vlees teert weg in mijn huid Met mijn tanden knaag ik mijn beenderen af.
21Ayez pitié, ayez pitié de moi, vous, mes amis! Car la main de Dieu m’a frappé.
21Erbarming, erbarming: gij tenminste, mijn vrienden, Want de hand van God heeft mij geraakt;
22Pourquoi me poursuivre comme Dieu me poursuit? Pourquoi vous montrer insatiables de ma chair?
22Waarom mij als een hert vervolgen, Nooit verzadigd aan mijn vlees!
23Oh! Je voudrais que mes paroles fussent écrites, Qu’elles fussent écrites dans un livre;
23O, werden mijn woorden opgeschreven, Opgetekend in een boek,
24Je voudrais qu’avec un burin de fer et avec du plomb Elles fussent pour toujours gravées dans le roc…
24Met een stift van ijzer en lood Voor eeuwig op een rots gegrift:
25Mais je sais que mon rédempteur est vivant, Et qu’il se lèvera le dernier sur la terre.
25Ik weet, dat mijn Verlosser leeft, En ten leste op de aarde verschijnt;
26Quand ma peau sera détruite, il se lèvera; Quand je n’aurai plus de chair, je verrai Dieu.
26Dat ik mij zal oprichten achter mijn huid, En van mijn vlees uit, God zal aanschouwen!
27Je le verrai, et il me sera favorable; Mes yeux le verront, et non ceux d’un autre; Mon âme languit d’attente au-dedans de moi.
27Ja, ik zal Hem aanschouwen, Mijn ogen zullen Hem zien, maar niet meer als vijand; Mijn nieren smachten in mijn schoot,
28Vous direz alors: Pourquoi le poursuivions-nous? Car la justice de ma cause sera reconnue.
28En wanneer gij dan zegt: Hoe vervolgen we hem, Welk voorwendsel zullen we tegen hem vinden;
29Craignez pour vous le glaive: Les châtiments par le glaive sont terribles! Et sachez qu’il y a un jugement.
29Ducht dan het zwaard voor uzelf, Want dan zal de Gramschap de bozen verdelgen! Om te weten, of er gerechtigheid is!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.