Job
Chapter 5
Louis Segond 1910
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Job 5

Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Crie maintenant! Qui te répondra? Auquel des saints t’adresseras-tu?
1Roep maar: er is niemand, die u antwoord geeft; Tot wien van de heiligen wilt ge u wenden?
2L’insensé périt dans sa colère, Le fou meurt dans ses emportements.
2Het is dus de wrevel, die den dwaas vermoordt, De gramschap doodt dus den zot.
3J’ai vu l’insensé prendre racine; Puis soudain j’ai maudit sa demeure.
3Ik heb den dwaas wel wortel zien schieten, Maar plotseling verrotte zijn akker;
4Plus de prospérité pour ses fils; Ils sont foulés à la porte, et personne qui les délivre!
4Zijn kinderen werden van hulp verstoken, Reddeloos vertrapt in de poort;
5Sa moisson est dévorée par des affamés, Qui viennent l’enlever jusque dans les épines, Et ses biens sont engloutis par des hommes altérés.
5Wat zij hebben geoogst, eet een hongerige op, En de dorstige rooft en drinkt de melk van hun kudde
6Le malheur ne sort pas de la poussière, Et la souffrance ne germe pas du sol;
6Want het kwaad schiet niet op uit het stof, En de rampspoed ontspruit uit de aarde niet:
7L’homme naît pour souffrir, Comme l’étincelle pour voler.
7Maar het is de mens, die zichzelf de rampspoed verwekt, Zoals de vonken naar boven spatten!
8Pour moi, j’aurais recours à Dieu, Et c’est à Dieu que j’exposerais ma cause.
8Ik, ik wend mij tot God, En leg mijn zaak aan de Godheid voor:
9Il fait des choses grandes et insondables, Des merveilles sans nombre;
9Hij, die grootse en ondoorgrondelijke dingen wrocht En ontelbare wonderen;
10Il répand la pluie sur la terre, Et envoie l’eau sur les campagnes;
10Die regen over de aarde zendt, En water over de velden giet;
11Il relève les humbles, Et délivre les affligés;
11Die de nederigen op de hoogte verheft, En treurenden het hoogste geluk doet smaken.
12Il anéantit les projets des hommes rusés, Et leurs mains ne peuvent les accomplir;
12Die de plannen der sluwen verijdelt, Zodat hun handen de ontwerpen niet ten uitvoer brengen;
13Il prend les sages dans leur propre ruse, Et les desseins des hommes artificieux sont renversés:
13Die de wijzen vangt in hun eigen list, Zodat de toeleg der slimmen mislukt,
14Ils rencontrent les ténèbres au milieu du jour, Ils tâtonnent en plein midi comme dans la nuit.
14En midden op de dag zij op duisternis stuiten, En rondtasten op klaarlichte dag, zoals in de nacht;
15Ainsi Dieu protège le faible contre leurs menaces, Et le sauve de la main des puissants;
15Maar die de geplaagden redt uit hun hand, Den arme uit de greep van den sterke:
16Et l’espérance soutient le malheureux, Mais l’iniquité ferme la bouche.
16Zodat er weer hoop voor den zwakke is, En het onrecht de mond sluit.
17Heureux l’homme que Dieu châtie! Ne méprise pas la correction du Tout-Puissant.
17Gelukkig, gij mens, dien God kastijdt: Versmaad dus de straf van den Almachtige niet!
18Il fait la plaie, et il la bande; Il blesse, et sa main guérit.
18Want Hij wondt, maar verbindt, Hij kwetst, maar zijn handen genezen.
19Six fois il te délivrera de l’angoisse, Et sept fois le mal ne t’atteindra pas.
19Uit zes noden zal Hij u redden, En in de zevende treft u geen kwaad:
20Il te sauvera de la mort pendant la famine, Et des coups du glaive pendant la guerre.
20In hongersnood redt Hij u van de dood, In de oorlog uit de greep van het zwaard;
21Tu seras à l’abri du fléau de la langue, Tu seras sans crainte quand viendra la dévastation.
21Gij zijt veilig voor de gesel der tong, Zonder vrees voor het dreigend geweld.
22Tu te riras de la dévastation comme de la famine, Et tu n’auras pas à redouter les bêtes de la terre;
22Met geweld en gebrek zult ge lachen, Voor wilde beesten niet vrezen:
23Car tu feras alliance avec les pierres des champs, Et les bêtes de la terre seront en paix avec toi.
23Want ge hebt een verbond met de stenen op het veld, En het wild gedierte leeft in vriendschap met u
24Tu jouiras du bonheur sous ta tente, Tu retrouveras tes troupeaux au complet,
24Dan weet ge, dat uw tent in vrede is, Ge niets vermist, als ge uw woning doorzoekt;
25Tu verras ta postérité s’accroître, Et tes rejetons se multiplier comme l’herbe des champs.
25Dan weet ge, dat uw nageslacht talrijk zal zijn, Uw spruiten als het gras op het veld.
26Tu entreras au sépulcre dans la vieillesse, Comme on emporte une gerbe en son temps.
26Eerst in uw ouderdom daalt ge ten grave, Zoals de schoof wordt binnengehaald, als het tijd is!
27Voilà ce que nous avons reconnu, voilà ce qui est; A toi d’entendre et de mettre à profit.
27Zie, dit hebben we nagespeurd, en zó is het; Luister er naar, en neem het ter harte!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.