1 Chroniques 1
Louis Segond 1910Translation
Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Adam, Seth, Énosch,
1Adam Set, Enos,
2Kénan, Mahalaleel, Jéred,
2Kaïnan, Malaleël, Járed,
3Hénoc, Metuschélah, Lémec,
3Henok, Matoesala, Lámek,
4Noé. Sem, Cham et Japhet.
4Noë. Sem, Cham en Jáfet.
5Fils de Japhet: Gomer, Magog, Madaï, Javan, Tubal, Méschec et Tiras.
5De zonen van Jáfet waren: Gómer, Magog, Madai, Jawan, Toebal, Mésjek en Tiras.
6Fils de Gomer: Aschkenaz, Diphat et Togarma.
6De zonen van Gómer: Asjkenaz, Rifat en Togarma.
7Fils de Javan: Élischa, Tarsisa, Kittim et Rodanim.
7De zonen van Jawan: Elisja, Tarsjisj, de Kittiërs en de Dodanieten.
8Fils de Cham: Cusch, Mitsraïm, Puth et Canaan.
8De zonen van Cham waren: Koesj, Egypte, Poet en Kanaän.
9Fils de Cusch: Saba, Havila, Sabta, Raema et Sabteca. Fils de Raema: Séba et Dedan.
9De zonen van Koesj waren: Seba, Chawila, Sabta, Rama en Sabteka. De zonen van Rama: Sjeba en Dedan.
10Cusch engendra Nimrod; c’est lui qui commença à être puissant sur la terre.
10Koesj verwekte ook Nimrod. Deze begon machtig te worden op aarde.
11Mitsraïm engendra les Ludim, les Ananim, les Lehabim, les Naphtuhim,
11Egypte bracht de Loedieten voort, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftoechieten,
12les Patrusim, les Casluhim, d’où sont sortis les Philistins, et les Caphtorim.
12de Patroesieten en de Kasloechieten, waar de Filistijnen en de Kaftorieten uit voortgekomen zijn.
13Canaan engendra Sidon, son premier-né, et Heth,
13Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Chet;
14et les Jébusiens, les Amoréens, les Guirgasiens,
14verder de Jeboesieten, Amorieten en de Girgasjieten,
15les Héviens, les Arkiens, les Siniens,
15de Chiwwieten, Arkieten en Sinieten,
16les Arvadiens, les Tsemariens, les Hamathiens.
16de Arwadieten, Semarieten en Chamatieten.
17Fils de Sem: Élam, Assur, Arpacschad, Lud et Aram; Uts, Hul, Guéter et Méschec.
17De zonen van Sem waren: Elam, Assjoer, Arpaksad, de Lydiërs, Aram, Oes, Choel, Géter en Mésjek.
18Arpacschad engendra Schélach; et Schélach engendra Héber.
18Arpaksad verwekte Sála, en Sála weer Éber.
19Il naquit à Héber deux fils: le nom de l’un était Péleg, parce que de son temps la terre fut partagée, et le nom de son frère était Jokthan.
19Éber had twee zonen: de eerste heette Páleg, omdat in zijn tijd de wereld verdeeld werd; zijn broer heette Joktan.
20Jokthan engendra Almodad, Schéleph, Hatsarmaveth, Jérach,
20Joktan verwekte Almodad en Sjélef, Chasarmáwet en Jérach,
21Hadoram, Uzal, Dikla,
21Hadoram, Oezal en Dikla,
22Ébal, Abimaël, Séba, Ophir, Havila et Jobab.
22Ebal, Abimaël, Sjeba,
23Tous ceux-là furent fils de Jokthan.
23Ofir, Chawila en Jobab: allen zonen van Joktan.
24Sem, Arpacschad, Schélach,
24Sem, Arpaksad, Sála,
25Héber, Péleg, Rehu,
25Éber en Páleg; Ragaoe,
26Serug, Nachor, Térach,
26Seroeg, Nachor, Tara
27Abram, qui est Abraham.
27en Abram; dat is dezelfde als Abraham.
28Fils d’Abraham: Isaac et Ismaël.
28De zonen van Abraham waren Isaäk en Jisjmaël.
29Voici leur postérité. Nebajoth, premier-né d’Ismaël, Kédar, Adbeel, Mibsam,
29Hier volgt de lijst van hun afstammelingen. De eerstgeborene van Jisjmaël was Nebajot; verder Kedar, Adbeël en Mibsam,
30Mischma, Duma, Massa, Hadad, Téma,
30Misjma, Doema en Massa, Chadad, Tema,
31Jethur, Naphisch et Kedma. Ce sont là les fils d’Ismaël.
31Jetoer, Nafisj en Kédma. Dit zijn de zonen van Jisjmaël.
32Fils de Ketura, concubine d’Abraham. Elle enfanta Zimran, Jokschan, Medan, Madian, Jischbak et Schuach. Fils de Jokschan: Séba et Dedan.
32Ketoera, de bijvrouw van Abraham, kreeg de volgende kinderen: Zimran, Joksjan, Medan, Midjan, Jisjbak en Sjóeach. Joksjan verwekte Sjeba en Dedan.
33Fils de Madian: Épha, Épher, Hénoc, Abida et Eldaa. Ce sont là tous les fils de Ketura.
33De zonen van Midjan waren: Efa, Éfer, Chanok, Abida en Eldaä. Dat waren allen nakomelingen van Ketoera.
34Abraham engendra Isaac. Fils d’Isaac: Ésaü et Israël.
34Abraham was de vader van Isaäk. De zonen van Isaäk waren Esau en Israël.
35Fils d’Ésaü: Éliphaz, Reuel, Jeusch, Jaelam et Koré.
35De zonen van Esau waren: Elifáz, Reoeël, Jeoesj, Jalam en Kórach.
36Fils d’Éliphaz: Théman, Omar, Tsephi, Gaetham, Kenaz, Thimna et Amalek.
36De zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Sefi, Gatam, Kenaz, Timna en Amalek.
37Fils de Reuel: Nahath, Zérach, Schamma et Mizza.
37De zonen van Reoeël waren: Náchat en Zérach, Sjamma en Mizza.
38Fils de Séir: Lothan, Schobal, Tsibeon, Ana, Dischon, Étser et Dischan.
38De zonen van Seïr waren: Lotan. Sjobal, Sibon en Ana; verder Disjon, Éser en Disjan.
39Fils de Lothan: Hori et Homam. Sœur de Lothan: Thimna.
39De zonen van Lotan waren Chori en Homam; de zuster van Lotan was Timna.
40Fils de Schobal: Aljan, Manahath, Ébal, Schephi et Onam. Fils de Tsibeon: Ajja et Ana.
40De zonen van Sjobal waren: Aljan, Manáchat, Ebal, Sjefi en Onam. De zonen van Sibon waren Ajja en Ana.
41Fils d’Ana: Dischon. Fils de Dischon: Hamran, Eschban, Jithran et Keran.
41De zoon van Ana was Disjon. De zonen van Disjon waren: Chamran, Esjban, Jitran en Keran.
42Fils d’Étser: Bilhan, Zaavan et Jaakan. Fils de Dischan: Uts et Aran.
42De zonen van Éser waren: Bilhan, Zaäwan en Akan. De zonen van Disjan waren Oes en Aran.
43Voici les rois qui ont régné dans le pays d’Édom, avant qu’un roi régnât sur les enfants d’Israël. Béla, fils de Beor; et le nom de sa ville était Dinhaba.
43En dit zijn de koningen, die over het land Edom regeerden, eer er een koning heerste over de zonen Israëls. Béla, de zoon van Beor; zijn hofstad heette Dinhaba.
44Béla mourut; et Jobab, fils de Zérach, de Botsra, régna à sa place.
44Na de dood van Béla regeerde Jobab, de zoon van Zérach uit Bosra in zijn plaats.
45Jobab mourut; et Huscham, du pays des Thémanites, régna à sa place.
45Na de dood van Jobab regeerde Choesjam uit het land der Temanieten in zijn plaats.
46Huscham mourut; et Hadad, fils de Bedad, régna à sa place. C’est lui qui frappa Madian dans les champs de Moab. Le nom de sa ville était Avith.
46Na de dood van Choesjam regeerde Hadad, de zoon van Bedad, in zijn plaats. Hij was het, die Midjan in de vlakten van Moab versloeg; zijn stad heette Awit.
47Hadad mourut; et Samla, de Masréka, régna à sa place.
47Na de dood van Hadad regeerde Samla uit Masreka in zijn plaats.
48Samla mourut; et Saül, de Rehoboth sur le fleuve, régna à sa place.
48Na de dood van Samla regeerde Sjaoel uit Rechobot aan de rivier in zijn plaats.
49Saül mourut; et Baal-Hanan, fils d’Acbor, régna à sa place.
49Na de dood van Sjaoel regeerde Báal-Chanan, de zoon van Akbor, in zijn plaats.
50Baal-Hanan mourut; et Hadad régna à sa place. Le nom de sa ville était Pahi; et le nom de sa femme Mehéthabeel, fille de Mathred, fille de Mézahab.
50Na de dood van Báal-Chanan regeerde Hadad in zijn plaats; zijn hofstad heette Paï; zijn vrouw heette Mehetabel, en was de dochter van Matred en kleindochter van Me-Zahab.
51Hadad mourut. Les chefs d’Édom furent: le chef Thimna, le chef Alja, le chef Jetheth,
51Na de dood van Hadad waren er de volgende stamhoofden in Edom: die van Timna, Alja en Jetet,
52le chef Oholibama, le chef Éla, le chef Pinon,
52Oholibama, Ela en Pinon,
53le chef Kenaz, le chef Théman, le chef Mibtsar,
53Kenaz, Teman en Mibsar,
54le chef Magdiel, le chef Iram. Ce sont là des chefs d’Édom.
54Magdiël en Iram. Dit waren dus de stamhoofden van Edom.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.