Job
Chapter 24
Louis Segond 1910
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Job 24

Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Pourquoi le Tout-Puissant ne met-il pas des temps en réserve, Et pourquoi ceux qui le connaissent ne voient-ils pas ses jours?
1Job antwoordde, en sprak Waarom zijn er door den Almachtige dan geen tijden bepaald, En aanschouwen zij, die Hem kennen, zijn dagen niet?
2On déplace les bornes, On vole des troupeaux, et on les fait paître;
2Waarom verzetten dan de bozen de grensstenen, En beroven zij kudde en herder?
3On enlève l’âne de l’orphelin, On prend pour gage le bœuf de la veuve;
3Ze voeren den ezel der wezen weg, En leggen beslag op het rund van de weduwe;
4On repousse du chemin les indigents, On force tous les malheureux du pays à se cacher.
4De berooiden worden van de weg gedrongen, De armen in het land moeten zich allen verbergen;
5Et voici, comme les ânes sauvages du désert, Ils sortent le matin pour chercher de la nourriture, Ils n’ont que le désert pour trouver le pain de leurs enfants;
5Als wilde ezels in de woestijn Trekken ze uit, om te zwoegen. Ze zoeken tot de avond naar buit, Maar geen brood voor hun kinderen!
6Ils coupent le fourrage qui reste dans les champs, Ils grappillent dans la vigne de l’impie;
6Ze roven des nachts de oogst van het veld, En zoeken de wijngaard der rijken af.
7Ils passent la nuit dans la nudité, sans vêtement, Sans couverture contre le froid;
7Naakt overnachten zij, zonder kleed, En zonder dekking tegen de kou;
8Ils sont percés par la pluie des montagnes, Et ils embrassent les rochers comme unique refuge.
8Ze worden nat door de stortvloed der bergen, Drukken zich tegen de rotsen, omdat de schuilplaats ontbreekt
9On arrache l’orphelin à la mamelle, On prend des gages sur le pauvre.
9Ze rukken den wees van de moederborst af En nemen den zuigeling der armen tot pand.
10Ils vont tout nus, sans vêtement, Ils sont affamés, et ils portent les gerbes;
10Naakt lopen ze rond, ongekleed, Zelf hongerig, moeten ze schoven torsen;
11Dans les enclos de l’impie ils font de l’huile, Ils foulent le pressoir, et ils ont soif;
11Ze persen de olie tussen twee stenen, Treden de perskuip, maar lijden dorst.
12Dans les villes s’exhalent les soupirs des mourants, L’âme des blessés jette des cris… Et Dieu ne prend pas garde à ces infamies!
12Uit de stad stijgt het kermen der stervenden op, En roept de ziel der gewonden om hulp; Maar God luistert niet naar hun smeken, Hùn schenkt Hij geen aandacht!
13D’autres sont ennemis de la lumière, Ils n’en connaissent pas les voies, Ils n’en pratiquent pas les sentiers.
13En schuwen het licht; Ze kennen zijn wegen niet, En blijven niet op zijn paden.
14L’assassin se lève au point du jour, Tue le pauvre et l’indigent, Et il dérobe pendant la nuit.
14Eer het licht wordt, maakt zich de moordenaar op, Om armen en berooiden te doden; En terwijl het nog nacht is, Sluipt hij rond als een dief.
15L’œil de l’adultère épie le crépuscule; Personne ne me verra, dit-il, Et il met un voile sur sa figure.
15Het oog van den overspeler maakt van de schemering gebruik; Hij denkt: Geen oog, dat mij ziet; Hij slaat zich een sluier voor het gezicht,
16La nuit ils forcent les maisons, Le jour ils se tiennent enfermés; Ils ne connaissent pas la lumière.
16En breekt in het donker de huizen in. Maar zij sluiten zich op overdag, En willen van het daglicht niet weten;
17Pour eux, le matin c’est l’ombre de la mort, ils en éprouvent toutes les terreurs.
17Voor hen allen is de morgen als de schaduw des doods, Zodra het licht wordt, overvalt hen de doodschrik!
18Eh quoi! L’impie est d’un poids léger sur la face des eaux, Il n’a sur la terre qu’une part maudite, Il ne prend jamais le chemin des vignes!
18Die anderen vluchten weg voor de dag Zijn erfdeel ligt vervloekt in het land, Geen druiventreder trekt naar zijn wijnberg;
19Comme la sécheresse et la chaleur absorbent les eaux de la neige, Ainsi le séjour des morts engloutit ceux qui pèchent!
19Zoals droogte en hitte het sneeuwwater slurpen, Zo slurpt de onderwereld den zondaar op.
20Quoi! Le sein maternel l’oublie, Les vers en font leurs délices, On ne se souvient plus de lui! L’impie est brisé comme un arbre,
20Door de moederschoot wordt hij vergeten, De wormen smullen van hem; Zijn naam wordt niet langer herdacht, Zijn ongerechtigheid geknakt als een boom.
21Lui qui dépouille la femme stérile et sans enfants, Lui qui ne répand aucun bienfait sur la veuve!…
21Hij mishandelt de onvruchtbare, haar die niet baart, En behandelt de weduwe niet goed:
22Non! Dieu par sa force prolonge les jours des violents, Et les voilà debout quand ils désespéraient de la vie;
22Maar Hij, die tyrannen verplettert, Zal het wreken door zijn kracht!
23Il leur donne de la sécurité et de la confiance, Il a les regards sur leurs voies.
23Hij is van zijn leven niet zeker, Gebroken de steun, waarop hij zich stut, En op zijn wegen ellende:
24Ils se sont élevés; et en un instant ils ne sont plus, Ils tombent, ils meurent comme tous les hommes, Ils sont coupés comme la tête des épis.
24Een korte tijd rijst hij omhoog, dan is hij niet meer. Hij verdort als een kwijnende plant, Verlept als de top van een aar!
25S’il n’en est pas ainsi, qui me démentira, Qui réduira mes paroles à néant?
25Is het niet waar, wie overtuigt mij van leugen, En wie ontzenuwt mijn betoog?

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.