Job 11
Louis Segond 1910Translation
Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Tsophar de Naama prit la parole et dit:
1Daarop nam Sofar van Naäma het woord, en sprak:
2Cette multitude de paroles ne trouvera-t-elle point de réponse, Et suffira-t-il d’être un discoureur pour avoir raison?
2Zo’n praatvaar zou onbeantwoord blijven, Zo’n held met de lippen in het gelijk gesteld;
3Tes vains propos feront-ils taire les gens? Te moqueras-tu, sans que personne te confonde?
3Uw zwetsen zou anderen tot zwijgen brengen, Uw onzinnig gebrabbel door niemand worden beschaamd?
4Tu dis: Ma manière de voir est juste, Et je suis pur à tes yeux.
4Gij zegt tot God: Mijn wandel is rein, Ik ben onberispelijk in uw oog!
5Oh! Si Dieu voulait parler, S’il ouvrait les lèvres pour te répondre,
5Wilde God maar eens spreken, Zijn lippen tegen u openen,
6Et s’il te révélait les secrets de sa sagesse, De son immense sagesse, Tu verrais alors qu’il ne te traite pas selon ton iniquité.
6U de geheimen der Wijsheid ontvouwen, Die zo moeilijk zijn te verstaan: Dan zoudt ge erkennen, dat God van u eist, Wat uw misdaad verdient.
7Prétends-tu sonder les pensées de Dieu, Parvenir à la connaissance parfaite du Tout-Puissant?
7Zoudt ge de diepten Gods kunnen peilen, De alwetendheid van den Almachtige doorgronden?
8Elle est aussi haute que les cieux: que feras-tu? Plus profonde que le séjour des morts: que sauras-tu?
8Zij is hoger nog dan de hemelen: Wat kunt ge beginnen; Dieper nog dan de onderwereld: Wat kunt ge begrijpen;
9La mesure en est plus longue que la terre, Elle est plus large que la mer.
9Haar meetsnoer is langer dan de aarde, En breder nog dan de zee!
10S’il passe, s’il saisit, S’il traîne à son tribunal, qui s’y opposera?
10Als hij iets laat passeren, het verborgen houdt, Of het ruchtbaar maakt: wie zal Hem weerhouden?
11Car il connaît les vicieux, Il voit facilement les coupables.
11Want Hij doorschouwt de bedriegelijke mensen; Hij kent het kwaad, het ontgaat Hem niet!
12L’homme, au contraire, a l’intelligence d’un fou, Il est né comme le petit d’un âne sauvage.
12Maar een leeghoofd zal dit eerst begrijpen, Als het jong van een ezel een mensenkind wordt!
13Pour toi, dirige ton cœur vers Dieu, Étends vers lui tes mains,
13Maar wanneer gij er acht op wilt slaan, En tot Hem uw handen verheft,
14Éloigne-toi de l’iniquité, Et ne laisse pas habiter l’injustice sous ta tente.
14De misdaad uit uw hand verwijdert, En in uw tenten geen onrecht laat wonen:
15Alors tu lèveras ton front sans tache, Tu seras ferme et sans crainte;
15Dan heft ge smetteloos het hoofd omhoog, Dan staat ge vast, en behoeft niet te vrezen.
16Tu oublieras tes souffrances, Tu t’en souviendras comme des eaux écoulées.
16Ja, dan zult ge de ellende vergeten, Er aan denken als aan water, dat voorbij is gestroomd;
17Tes jours auront plus d’éclat que le soleil à son midi, Tes ténèbres seront comme la lumière du matin,
17Dan rijst uw leven klaarder nog dan de middag, En uw duisternis zal als de morgen zijn;
18Tu seras plein de confiance, et ton attente ne sera plus vaine; Tu regarderas autour de toi, et tu reposeras en sûreté.
18Dan zult ge vertrouwen, Want er is weer hoop! Dan gaat ge weer slapen onder veilige hoede,
19Tu te coucheras sans que personne ne te trouble, Et plusieurs caresseront ton visage.
19Dan legt ge u neer, en schrikt niemand u op; Dan dingen velen naar uw gunst,
20Mais les yeux des méchants seront consumés; Pour eux point de refuge; La mort, voilà leur espérance!
20Terwijl de ogen der bozen versmachten: Want die blijven van iedere toevlucht verstoken, Hun enige hoop is hun laatste zucht!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.