Jób
Chapter 11
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Jób 11

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1A odpovídaje Zofar Naamatský, řekl:
1Daarop nam Sofar van Naäma het woord, en sprak:
2Zdaliž k mnohým slovům nemá odpovědíno býti? Aneb zdali člověk mnohomluvný práv zůstane?
2Zo’n praatvaar zou onbeantwoord blijven, Zo’n held met de lippen in het gelijk gesteld;
3Žváním svým lidi zaměstknáváš, a posmíváš se, aniž jest, kdo by tě zahanbil.
3Uw zwetsen zou anderen tot zwijgen brengen, Uw onzinnig gebrabbel door niemand worden beschaamd?
4Nebo jsi řekl: Èisté jest učení mé, a čist jsem, ó Bože, před očima tvýma.
4Gij zegt tot God: Mijn wandel is rein, Ik ben onberispelijk in uw oog!
5Ješto, ó kdyby Bůh mluvil, a otevřel rty své proti tobě,
5Wilde God maar eens spreken, Zijn lippen tegen u openen,
6Aťby oznámil tajemství moudrosti, že dvakrát většího trestání zasloužil jsi. A věz, že se Bůh zapomněl na tebe pro nepravost tvou.
6U de geheimen der Wijsheid ontvouwen, Die zo moeilijk zijn te verstaan: Dan zoudt ge erkennen, dat God van u eist, Wat uw misdaad verdient.
7Zdaliž ty stižitelnosti Boží dosáhneš, aneb dokonalost Všemohoucího vystihneš?
7Zoudt ge de diepten Gods kunnen peilen, De alwetendheid van den Almachtige doorgronden?
8Vyšší jest nebes, což učiníš? Hlubší než peklo, jakž porozumíš?
8Zij is hoger nog dan de hemelen: Wat kunt ge beginnen; Dieper nog dan de onderwereld: Wat kunt ge begrijpen;
9Delší jest míra její než země, a širší než moře.
9Haar meetsnoer is langer dan de aarde, En breder nog dan de zee!
10Bude-li pléniti neb zavírati aneb ssužovati, kdo se na něj bude domlouvati?
10Als hij iets laat passeren, het verborgen houdt, Of het ruchtbaar maakt: wie zal Hem weerhouden?
11Poněvadž zná lidskou marnost, a vidí nepravost, což by tomu rozuměti neměl?
11Want Hij doorschouwt de bedriegelijke mensen; Hij kent het kwaad, het ontgaat Hem niet!
12Tak aby muž nesmyslný nabyl rozumu, ačkoli člověk jest jako hřebec z divokého osla zplozený.
12Maar een leeghoofd zal dit eerst begrijpen, Als het jong van een ezel een mensenkind wordt!
13Jestliže ty nastrojíš srdce své, a ruce své k němu vztáhneš;
13Maar wanneer gij er acht op wilt slaan, En tot Hem uw handen verheft,
14Byla-li by nepravost v ruce tvé, vzdal ji od sebe, aniž dopouštěj bydliti v staních svých nešlechetnosti:
14De misdaad uit uw hand verwijdert, En in uw tenten geen onrecht laat wonen:
15Tedy jistě pozdvihneš tváři své z poškvrny, a budeš nepohnutý, aniž se báti budeš.
15Dan heft ge smetteloos het hoofd omhoog, Dan staat ge vast, en behoeft niet te vrezen.
16Nebo se na těžkost zapomeneš, na niž jako na vody, kteréž pominuly, zpomínati budeš.
16Ja, dan zult ge de ellende vergeten, Er aan denken als aan water, dat voorbij is gestroomd;
17K tomu nad poledne jasný nastaneť čas; zatmíš-li se pak, jitru podobný budeš.
17Dan rijst uw leven klaarder nog dan de middag, En uw duisternis zal als de morgen zijn;
18Budeš i mysli doufanlivé, maje naději; stánek roztáhneš, i bezpečně spáti budeš.
18Dan zult ge vertrouwen, Want er is weer hoop! Dan gaat ge weer slapen onder veilige hoede,
19A tak v pokoji budeš, aniž tě kdo předěsí, a mnozí tváři tvé kořiti se budou.
19Dan legt ge u neer, en schrikt niemand u op; Dan dingen velen naar uw gunst,
20Oči pak bezbožných zkaženy budou, a utíkání jim zhyne; nadto naděje jejich bude jako dchnutí člověka.
20Terwijl de ogen der bozen versmachten: Want die blijven van iedere toevlucht verstoken, Hun enige hoop is hun laatste zucht!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.