Židům
Chapter 1
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Židům 1

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Èastokrát a rozličnými způsoby mluvíval někdy Bůh otcům skrze proroky, v těchto pak posledních dnech mluvil nám skrze Syna svého,
1Nadat God eertijds vele malen en op velerlei wijzen tot de Vaders gesproken heeft door de Profeten,
2Kteréhož ustanovil dědicem všeho, skrze něhož i věky učinil.
2heeft Hij aan het einde dezer dagen tot ons gesproken door den Zoon, dien Hij gesteld heeft tot erfgenaam van al zijn bezit en door wien Hij de wereld gemaakt heeft.
3Kterýžto jsa blesk slávy, a obraz osoby jeho, a zdržuje všecko slovem mocnosti své, očištění hříchů našich skrze sebe samého učiniv, posadil se na pravici velebnosti na výsostech,
3Deze is de afstraling zijner Glorie en de afdruk van zijn Wezen, en Hij draagt het heelal door het woord zijner Macht; Hij heeft de reiniging van zonden bewerkt, en toen Zich neergezet aan de rechterhand der Majesteit in den hoge.
4Tím důstojnější nad anděly učiněn, čím vyvýšenější nad ně jméno dědičně obdržel.
4Even hoog staat Hij boven de engelen, als de Naam, die Hij ontving, voortreffelijker is dan de hunne.
5Nebo kterému kdy z andělů řekl: Syn můj jsi ty, já dnes zplodil jsem tebe? A opět: Já budu jemu Otcem, a on mi bude Synem?
5Want tot wien der engelen heeft Hij ooit gezegd: “Gij zijt mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt.” Of wederom: “Ik zal Hem tot Vader zijn, En Hij zal Mij wezen tot Zoon.”
6A opět, když uvodí prvorozeného na okršlek země, dí: A klanějte se jemu všickni andělé Boží.
6En wanneer Hij den Eerstgeborene de wereld binnenleidt, zegt Hij opnieuw: “Alle engelen Gods moeten Hem aanbidden.”
7A o andělích zajisté dí: Kterýž činí anděly své duchy, a služebníky své plamen ohně;
7En van de engelen zegt Hij: “Die zijn engelen geesten maakt, En zijn knechten vlammend vuur.”
8Ale k Synu dí: Stolice tvá, ó Bože, trvá na věky věků, berla pravosti jestiť berla království tvého.
8Maar van den Zoon: Uw troon, o God, is in de eeuwen der eeuwen, En uw koningschepter is de schepter van het recht.
9Miloval jsi spravedlnost, a nenáviděl jsi nepravosti, protož pomazal tebe, ó Bože, Bůh tvůj olejem veselé nad spoluúčastníky tvé.
9Gij hebt gerechtigheid bemind, En ongerechtigheid gehaat. Daarom, o God, heeft uw God U gezalfd, Met vreugde-olie boven uw genoten.
10A opět: Ty, Pane, na počátku založil jsi zemi, a díla rukou tvých jsouť nebesa.
10En: Heer, in den beginne hebt Gij de aarde gegrond, En de hemelen zijn de werken uwer handen.
11Onať pominou, ty pak zůstáváš; a všecka jako roucho zvetšejí,
11Zij zullen vergaan, maar Gij blijft! Als een kleed zullen ze allen verslijten.
12A jako oděv svineš je, i budouť změněna. Ale ty jsi vždycky tentýž, a léta tvá nikdy nepřestanou.
12Als een mantel rolt Gij ze op, En als een kleed zullen ze worden verwisseld. Maar Gij blijft dezelfde, En uw jaren nemen geen einde.
13A kterému kdy z andělů řekl: Seď na pravici mé, dokavadž nepoložím nepřátel tvých za podnože noh tvých?
13En tot wien der engelen sprak Hij ooit: “Zet U aan mijn rechterhand, Totdat Ik uw vijanden leg als een voetbank voor uw voeten.”
14Zdaliž všickni nejsou služební duchové, kteříž posíláni bývají k službě pro ty, jenž mají dědičně obdržeti spasení?
14Zijn ze niet allen dienstbare geesten, uitgezonden tot hulp van hen, die de zaligheid zullen beërven?

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.