Židům
Chapter 12
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Židům 12

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Protož i my, takový oblak svědků vůkol majíce, odvrhouce všeliké břímě, i snadně obkličující nás hřích, skrze trpělivost konejme běh uloženého nám boje,
1Welnu dan, omringd van zulk een wolk van getuigen, laat ons iedere belemmering en hinder van zonde wegwerpen van ons, en dan met volharding de wedloop beginnen, die voor ons ligt;
2Patříce na vůdce a dokonavatele víry Ježíše, kterýžto místo předložené sobě radosti strpěl kříž, opováživ se hanby, i posadil se na pravici trůnu Božího.
2het oog gevestigd op Jesus, aanvang en einde van het geloof. Hij heeft in plaats van de vreugde, die Hem toekwam, een kruis op Zich genomen, en de schande niet geacht; maar is dan ook gezeten ter rechterzijde van Gods troon.
3A považte, kteraký jest ten, jenž snášel od hříšníků taková proti sobě odmlouvání, abyste neustávali, v myslech vašich hynouce.
3Houdt Hem toch voor ogen, die van de zondaars zulk een tegenspraak heeft verduurd, opdat gij niet uitgeput raakt en de zielskracht verliest.
4Ještě jste se až do krve nezprotivili, proti hříchu bojujíce.
4Nog hebt gij niet ten bloede toe weerstand geboden in de strijd tegen de zonde;
5A což jste zapomenuli na napomenutí, kteréž k vám jako k synům mluví: Synu můj, nepohrdej kázní Páně, aniž sobě stýskej, když od něho trestán býváš?
5en zijt gij dan reeds de vermaning vergeten, die u als zonen toespreekt: Mijn zoon, verwerp de kastijding des Heren niet, En wees niet ontmoedigd, zo ge door Hem wordt bestraft.
6Nebo kohož miluje Pán, tohoť tresce, a švihá každého, kteréhož za syna přijímá.
6Want de Heer kastijdt dien Hij bemint, Tuchtigt elken zoon, dien Hij liefheeft.
7Jestliže kázeň snášíte, Bůh se vám podává jakožto synům. Nebo který jest syn, jehož by netrestal otec?
7Verdraag het dus als een kastijding; God behandelt u als zonen. Want is er wel een zoon, die door zijn vader niet wordt gekastijd?
8Pakli jste bez kázně, kteréžto všickni synové účastni jsou, tedy jste cizoložňata, a ne synové.
8Zo gij dus zonder kastijding zoudt wezen, waarvan allen hun deel krijgen, dan waart gij bastaards en geen zonen.
9Ano tělesné otce naše měli jsme, kteříž nás trestali, a měli jsme je u vážnosti; i zdaliž nemáme mnohem více poddáni býti Otci duchů, abychom živi byli?
9Bovendien, we hebben vaders naar het vlees gehad, die ons kastijdden, en we kwamen tot inkeer; zullen we ons dan niet veel meer onderwerpen aan den Vader der geesten, en leven?
10A onino zajisté po nemnohé dny, jakž se jim vidělo, trestali, ale tento v věcech přeužitečných, totiž k tomu, abychom došli účastnosti svatosti jeho.
10Zij toch hebben ons gekastijd ter wille van enkele dagen en naar het hun goeddacht; maar Hij doet het tot ons nut, opdat we zijn heiligheid deelachtig worden.
11Každé pak trestání, když přítomné jest, nezdá se býti potěšené, ale smutné, než potomť rozkošné ovoce spravedlnosti přináší těm, kteříž by v něm pocvičeni byli.
11Elke kastijding schijnt op het ogenblik zelf geen reden tot vreugde, maar reden tot droefheid; later echter draagt ze hun, die er door geoefend zijn, een vredevrucht der gerechtigheid.
12Protož opuštěných rukou a zemdlených kolen posilňte,
12Richt op dus de slappe handen en knikkende knieën!
13A přímé kroky čiňte nohama svýma, aby, což zkulhavělo, do konce se nevyvinulo, ale raději uzdraveno bylo.
13Maakt rechte sporen met uw voeten, opdat het kreupele niet wordt ontwricht, maar genezen veeleer!
14Pokoje následujte se všechněmi a svatosti, bez níž žádný neuzří Pána,
14Streeft naar vrede met allen; ook naar heiligheid, zonder welke niemand den Heer zal zien.
15Prohlédajíce k tomu bedlivě, aby někdo neodpadl od milosti Boží, a aby nějaký kořen hořkosti nepodrostl, a neučinil překážky, skrze nějž by poškvrněni byli mnozí;
15Zorgt er voor, dat niemand Gods genade verwaarloost; dat er geen wortel van bitterheid opschiet, anderen in de weg staat, en velen aansteekt;
16Aby někdo nebyl smilník, aneb ohyzdný, jako Ezau, kterýžto za jednu krmi prodal prvorozenství své.
16dat niemand ontuchtig is, of onverschillig als Esau, die voor één enkele spijs zijn eerstgeboorterecht verkocht.
17Víte zajisté, že potom, chtěje dědičně dosáhnouti požehnání, pohrdnut jest. Nebo nenalezl místa ku pokání, ač ho koli s pláčem hledal.
17Gij weet toch, dat toen hij later de zegen wilde erven, hij afgewezen werd; want hij vond geen mogelijkheid, de gezindheid van zijn vader te veranderen, hoewel hij het onder tranen beproefde.
18Nebo nepřistoupili jste k hmotné hoře a k hořícímu ohni, a k vichru, a k mrákotě, a k bouři,
18Inderdaad, gij zijt niet toegetreden tot een tastbare berg, niet tot brandend vuur, duisternis, donkere wolk, storm,
19A zvuku trouby a k hlasu slov, kterýžto hlas kdož slyšeli, prosili, aby k nim nebylo více mluveno.
19bazuingeschal; niet tot daverende woorden, waarvan de hoorders bezwoeren, dat er geen woord meer bij mocht komen,
20(Nebo nemohli snésti toho, což bylo praveno: A kdyby se i hovado dotklo hory, budeť ukamenováno, aneb šípem postřeleno.
20omdat het bevel hun te machtig was: “Zelfs als een dier de berg aanraakt, moet het gestenigd worden.”
21A tak hrozné bylo to, což viděli, že i Mojžíš řekl: Lekl jsem se, až se třesu.)
21En zó ontzettend was de verschijning, dat Moses uitriep: “Ik beef en sidder van angst.”
22Ale přistoupili jste k hoře Sionu, a k městu Boha živého, Jeruzalému nebeskému, a k nesčíslnému zástupu andělů,
22Neen, gij zijt toegetreden tot de berg Sion en de Stad van den levenden God, het hemels Jerusalem; tot de tienduizenden engelen, tot de feestvergadering,
23K veřejnému shromáždění a k církvi prvorozených, kteříž zapsáni jsou v nebesích, a k Bohu soudci všech, a k duchům spravedlivých dokonalých,
23tot de gemeente der eerstgeborenen, opgeschreven in de hemel; tot God den Rechter van allen; tot de geesten der rechtvaardigen, die hun voleinding hebben bereikt;
24A k prostředníku Nového Zákona Ježíšovi, a ku pokropení krví, lépe mluvící nežli Abelova.
24tot Jesus den Middelaar van het nieuwe Verbond, tot het Bloed der besprenkeling, dat iets beters afroept dan Abels bloed.
25Viztež, abyste neodpírali mluvícím. Nebo poněvadž onino neušli pomsty, kteříž odpírali tomu, jenž na zemi na místě Božím mluvil, čím více my, jestliže tím, kterýž s nebe mluví k nám, pohrdneme?
25Zorgt er voor, dat gij Hem niet afwijst, die roept! Want wanneer zij niet ontkwamen, die Hem afwezen, toen Hij op aarde sprak, hoeveel minder wij, zo we ons afkeren van Hem, die uit de hemelen spreekt,
26Jehožto hlas tehdáž byl zemí pohnul, nyní pak propověděl, řka: Ještěť já jednou pohnu netoliko zemí, ale i nebem.
26wiens stem eertijds de aarde deed sidderen, maar die nu heeft verkondigd: “Nog eenmaal zal Ik doen beven Niet slechts de aarde, maar ook de hemel.”
27A to, že dí: Ještě jednou, světle ukazuje pohnutelných věcí přenesení, jakožto rukama učiněných, aby zůstávaly ty, jenž jsou nepohnutelné.
27Welnu, dit “Nog eenmaal” wijst op de omverwerping van wat als schepsel vergankelijk is, opdat dan het onvergankelijke blijft bestaan.
28Protož království přijímajíce nepohnutelné, mějmež milost, skrze kteroužto služme libě Bohu, s vážností a uctivostí.
28Wij dus, die een onvergankelijk koninkrijk hebben ontvangen, we moeten vasthouden aan de genade, en daardoor God dienen, zoals het Hem welgevallig is: in vrome eerbied en ontzag.
29Neboť Bůh náš jest oheň spalující.
29Want onze God is een verterend vuur!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.