Жидів 12
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Тим же оце й ми, маючи кругом нас таку тьму сьвідків, відложивши всяку гордість і гріх, що путав нас, з терпіннєм біжім на боротьбу, що перед нами,
1Welnu dan, omringd van zulk een wolk van getuigen, laat ons iedere belemmering en hinder van zonde wegwerpen van ons, en dan met volharding de wedloop beginnen, die voor ons ligt;
2дивлячись на Ісуса, починателя і звершителя віри, котрий замість радости, яка була перед Ним, витерпів хрест, не дбаючи про сором, і сїв по правицї престола Божого.
2het oog gevestigd op Jesus, aanvang en einde van het geloof. Hij heeft in plaats van de vreugde, die Hem toekwam, een kruis op Zich genomen, en de schande niet geacht; maar is dan ook gezeten ter rechterzijde van Gods troon.
3Подумайте бо про Того, хто витерпів од грішників такий перекір проти себе, щоб не внивали, ослабши в душах ваших.
3Houdt Hem toch voor ogen, die van de zondaars zulk een tegenspraak heeft verduurd, opdat gij niet uitgeput raakt en de zielskracht verliest.
4Ще ви аж до крові не стояли, борючись проти гріха,
4Nog hebt gij niet ten bloede toe weerstand geboden in de strijd tegen de zonde;
5і забули напомин, що до вас, як до синів, глаголе: „Сину мій, не гордуй караннєм Господнїм, анї слабни, докоренний від Нього;
5en zijt gij dan reeds de vermaning vergeten, die u als zonen toespreekt: Mijn zoon, verwerp de kastijding des Heren niet, En wees niet ontmoedigd, zo ge door Hem wordt bestraft.
6кого бо любить Господь, карає; і бє всякого сина, котрого приймає.‟
6Want de Heer kastijdt dien Hij bemint, Tuchtigt elken zoon, dien Hij liefheeft.
7Коли караннє терпите, Бог до вас такий, як до синів: чи єсть бо такий син, котрого не карає батько?
7Verdraag het dus als een kastijding; God behandelt u als zonen. Want is er wel een zoon, die door zijn vader niet wordt gekastijd?
8Коли ж ви пробуваєте без карання, котрого спільниками стались усї, то ви неправого ложа дїти, а не сини.
8Zo gij dus zonder kastijding zoudt wezen, waarvan allen hun deel krijgen, dan waart gij bastaards en geen zonen.
9Ще ж, мали ми батьків, тїла нашого карателїв, та й поважали їх; то чи не геть більше коритись нам Отцю духів, і жити мемо?
9Bovendien, we hebben vaders naar het vlees gehad, die ons kastijdden, en we kwamen tot inkeer; zullen we ons dan niet veel meer onderwerpen aan den Vader der geesten, en leven?
10Ті бо на мало днїв, як самі знали, карали нас; а Сей на користь (нашу), щоб ми були спільниками сьвятости Його.
10Zij toch hebben ons gekastijd ter wille van enkele dagen en naar het hun goeddacht; maar Hij doet het tot ons nut, opdat we zijn heiligheid deelachtig worden.
11Усяка ж кара на той час не здаєть ся радощами, а смутком; опісля ж дає овощ впокою тим, що нею навчені правди.
11Elke kastijding schijnt op het ogenblik zelf geen reden tot vreugde, maar reden tot droefheid; later echter draagt ze hun, die er door geoefend zijn, een vredevrucht der gerechtigheid.
12Тим же „зомлїлі руки і зомлїлі колїна випростайте‟,
12Richt op dus de slappe handen en knikkende knieën!
13і „стежки праві робіте ногами вашими‟, щоб не звернуло кульгаве з дороги, а лучче сцїлилось.
13Maakt rechte sporen met uw voeten, opdat het kreupele niet wordt ontwricht, maar genezen veeleer!
14Дбайте про впокій з усїма і про сьвятість, без чого нїхто не побачить Бога,
14Streeft naar vrede met allen; ook naar heiligheid, zonder welke niemand den Heer zal zien.
15наглядаючи, щоб хто не відпав од благодати Божої, щоб який гіркий корінь, угору виросши, не зашкодив вам, і тим не опоганились многі;
15Zorgt er voor, dat niemand Gods genade verwaarloost; dat er geen wortel van bitterheid opschiet, anderen in de weg staat, en velen aansteekt;
16щоб не був хто блудник, або необачний, як Ісав, що за одну страву оддав первородство своє.
16dat niemand ontuchtig is, of onverschillig als Esau, die voor één enkele spijs zijn eerstgeboorterecht verkocht.
17Знаєте бо, що і опісля, як схотїв наслїдувати благословеннє, відкинуто його; місце бо покаяння не знайшов, хоч і з слїзми шукав його.
17Gij weet toch, dat toen hij later de zegen wilde erven, hij afgewezen werd; want hij vond geen mogelijkheid, de gezindheid van zijn vader te veranderen, hoewel hij het onder tranen beproefde.
18Не приступили бо ви до гори, до котрої доторкаємої і до палаючого огню, і хмари, і темряви і бурі,
18Inderdaad, gij zijt niet toegetreden tot een tastbare berg, niet tot brandend vuur, duisternis, donkere wolk, storm,
19і до трубного гуку, і голосу мови, котрий хто чув, то благали, щоб до них не мовило ся слово:
19bazuingeschal; niet tot daverende woorden, waarvan de hoorders bezwoeren, dat er geen woord meer bij mocht komen,
20(бо не видержали наказу: „Хоч і зьвір доторкнеть ся до гори, буде каміннєм побитий, або стрілою пробитий.‟
20omdat het bevel hun te machtig was: “Zelfs als een dier de berg aanraakt, moet het gestenigd worden.”
21І, таке страшне було видїннє, що Мойсей сказав: „Я в страсї і трепетї.‟)
21En zó ontzettend was de verschijning, dat Moses uitriep: “Ik beef en sidder van angst.”
22А приступили ви до Сионської гори і до города Бога живого, Єрусалима небесного, і до тьми ангелів,
22Neen, gij zijt toegetreden tot de berg Sion en de Stad van den levenden God, het hemels Jerusalem; tot de tienduizenden engelen, tot de feestvergadering,
23до громади і церкви первородних, на небесах написаних, і до суддї всїх, Бога, і до духів праведників звершених,
23tot de gemeente der eerstgeborenen, opgeschreven in de hemel; tot God den Rechter van allen; tot de geesten der rechtvaardigen, die hun voleinding hebben bereikt;
24і до Посередника завіта нового, Ісуса, і крови кроплення, що промовляє лучче, нїж Авелева.
24tot Jesus den Middelaar van het nieuwe Verbond, tot het Bloed der besprenkeling, dat iets beters afroept dan Abels bloed.
25Гледїть, щоб не відректись глаголющого. Коли бо вони не втекли, одрікшись пророкувавшого на землї, то геть більше ми, одрікшись небесного,
25Zorgt er voor, dat gij Hem niet afwijst, die roept! Want wanneer zij niet ontkwamen, die Hem afwezen, toen Hij op aarde sprak, hoeveel minder wij, zo we ons afkeren van Hem, die uit de hemelen spreekt,
26котрого голос тодї захитав землею, нинї ж обітував, глаголючи: „Ще раз потрясу не тілько землею, та й небом.‟
26wiens stem eertijds de aarde deed sidderen, maar die nu heeft verkondigd: “Nog eenmaal zal Ik doen beven Niet slechts de aarde, maar ook de hemel.”
27Се ж: „ще раз‟ показує переміну потрясеного, яко створеного, щоб пробувало нерухоме.
27Welnu, dit “Nog eenmaal” wijst op de omverwerping van wat als schepsel vergankelijk is, opdat dan het onvergankelijke blijft bestaan.
28Тим же царство нерухоме приймаючи, маємо благодать, котрою треба нам служити до вподоби Богу з шанобою і страхом.
28Wij dus, die een onvergankelijk koninkrijk hebben ontvangen, we moeten vasthouden aan de genade, en daardoor God dienen, zoals het Hem welgevallig is: in vrome eerbied en ontzag.
29Бо наш Бог — огонь пожирающий.
29Want onze God is een verterend vuur!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.