Жидів 6
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Тим же, зоставивши початки Христового слова, ідїмо до звершення, не кладучи знов основин покаяння од мертвих дїл і віри в Бога,
1Daarom willen we de aanvangsleer over Christus laten rusten en tot het volmaakte overgaan, zonder opnieuw een grondslag te leggen van: bekering uit dode werken, geloof in God,
2науки хрещення, і положення рук, і воскресення мертвих, і суду вічнього.
2de leer over doopsels, handoplegging, opstanding der doden en eeuwig oordeel.
3І се зробимо, коли Бог дозволить.
3En dit gaan we nu ondernemen, zo God het wil.
4Неможливе бо тих, що раз уже просьвітились, і вкусили дара небесного, і стали причастниками Духа сьвятого,
4Want het is toch onmogelijk, om hen, die eenmaal verlicht zijn geweest, de hemelse gaven hebben gesmaakt, den heiligen Geest hebben ontvangen,
5і вкусили доброго слова Божого і сили грядущого віка,
5het heerlijk woord Gods en de krachten der toekomstige wereld hebben geproefd,
6та й відпали, знов обновляти покаяннєм, удруге розпинаючих у собі Сина Божого та зневажаючих Його.
6maar afgevallen zijn: het is onmogelijk, om hen een tweede maal tot bekering op te wekken, daar ze, zover het hùn betreft, den Zoon van God opnieuw hebben gekruisigd en bespot.
7Земля бо, що пє падаючий часто на неї дощ, і родить билину, потрібну тим, хто її садить, приймає благословеннє від Бога;
7De bodem immers, die de overvloedig neervallende regen heeft opgezogen, en nuttig gewas voortbrengt voor hen, door wie hij werd bebouwd, hij ontvangt zegen van God;
8а котра приносить терни та бодяки, непотрібна і близька прокляття, котрої кінець на спаленнє.
8maar zo hij doornen en distels voortbrengt, dan wordt hij afgekeurd en is de vloek nabij, die uitloopt op verbranding.
9Ми ж надїємось по вас, любі, луччого і ближчого до спасення, хоч і говоримо так.
9Maar al spreken we zó, geliefden, toch zijn we over u van iets beters overtuigd, iets dat tot zaligheid strekt.
10Не єсть бо Бог неправеден, щоб забути дїло ваше і труд любови, що показали ви в імя Його, послугувавши і послугуючи сьвятим.
10Want God is niet onrechtvaardig; en Hij zal dus uw arbeid niet vergeten noch de liefde, die gij om zijn Naam hebt getoond door het dienen der heiligen vroeger en thans.
11Бажаємо ж, щоб кожен з вас являв таке саме стараннє про тверду надїю аж до кінця,
11We wensen echter, dat gij allen dezelfde ijver aan de dag blijft leggen, om de volle zekerheid der hoop te bewaren ten einde toe;
12щоб не були ви лїниві, а послїдователї тих, що наслїдують обітницї вірою і довготерпіннєм.
12en dat gij niet traag moogt worden, maar navolgers van hen, die door geloof en volharding de belofte hebben verkregen.
13Обітуючи бо Аврааму Бог, яко ж бо нїкого не мав більшого, щоб клястись, кляв ся собою,
13Want toen God aan Abraham de belofte deed, zwoer Hij bij Zichzelf, daar Hij bij geen hogere kon zweren en Hij sprak:
14глаголючи: „Істинно благословляючи благословлю тебе, і намножуючи намножу тебе.‟
14“Voorwaar, rijk zal Ik u zegenen, Overvloedig u vermenigvuldigen,”
15І так, бувши довготерпилив, одержав обітницю.
15en zo verkreeg Abraham de vervulling der belofte door volharding.
16Люде бо більшим кленуть ся, і всякої суперечки між ними конець на ствердженнє, — клятьба.
16De mensen toch zweren bij hem die hoger staat, en de eed dient hun tot bevestiging, en sluit verdere tegenspraak uit.
17У тому ж, хотївши Бог більше показати наслїдникам обітницї незмінність ради своєї, посередникував клятьбою,
17Daarom ook heeft God een eed tot waarborg gegeven, toen Hij aan de erfgenamen der belofte nog duidelijker de onveranderlijkheid van zijn Raadsbesluit wilde tonen;
18щоб двома речами незмінними (в котрих не можна обманити Богу) мали кріпке втїшеннє ми, що прибігаємо (до Нього) приняти надїю, що лежить перед нами,
18opdat wij door twee onwrikbare zaken, waardoor het God onmogelijk is te bedriegen, een krachtige aansporing zouden ontvangen, om onze toevlucht te nemen en ons vast te klampen aan de hoop op wat ons is weggelegd.
19котру маємо, яко якор душі, тверду і певну, і входить вона у саму середину за завісою,
19Haar toch behouden we als een veilig en zeker anker onzer ziel, vastzittend in het binnenste achter het Voorhangsel,
20куди предтеча про нас увійшов Ісус, по чину Мелхиседековому, ставшись Архиєреєм по вік.
20waar terwille van ons onze Voorloper is binnengegaan: Jesus, “Hogepriester voor eeuwig naar de Orde van Melkisedek.”
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.