Жидів 11
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Віра ж єсть підстава того, на що вповаємо, доказ (певність) річей невидимих.
1Het geloof is een vaste grond voor wat men hoopt; een overtuiging over dingen, die men niet ziet.
2Через неї бо були сьвідчені старі.
2Om het geloof zijn de Ouden met ere vermeld;
3Вірою розуміємо, що віки стали ся словом Божим, щоб з невидимого видиме постало.
3hierdoor ook erkennen we, dat de wereld door Gods Woord is geschapen, dat het zichtbare uit het Onzichtbare is ontstaan.
4Вірою приніс Авель луччу жертву Богу нїж Каїн, через котру сьвідчено (йому), що він праведний, як сьвідкував про дари його Бог; нею він, і вмерши, ще говорить.
4Door het geloof heeft Abel meer dan Kaïn aan God een voortreffelijk offer gebracht. Daardoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig was; want om zijn gave heeft God zelf dit betuigd. Door het geloof spreekt hij ook nog na zijn dood.
5Вірою Єнох перенесен, щоб не бачити смерти, і „не знайдено його; бо перенїс його Бог‟: перед перенесеннєм бо його сьвідчено, „що угодив Богу.‟
5Door het geloof werd Henok opgenomen, zodat hij de dood niet heeft gezien; hij werd niet meer gevonden, omdat God hem opgenomen had. Want voordat hij opgenomen werd, is van hem getuigd, dat hij welgevallig was aan God.
6Без віри ж не можна угодити; вірувати мусить бо, хто приходить до Бога, що Він єсть, і хто Його шукає, тих нагороджує.
6Welnu, zonder geloof is het onmogelijk, welgevallig te zijn; want wie tot God wil naderen, moet geloven, dat Hij bestaat, en Beloner is voor hen, die Hem zoeken.
7Вірою, звістку прийнявши Ной про те, чого нїколи не видано, в страсї (Божому) збудовав ковчег на спасеннє дому свого; котрим осудив сьвіт, і став ся наслїдником праведности, по вірі.
7Door het geloof heeft Noë, toen hem geopenbaard werd, wat nog niet was te zien, dit ter harte genomen, en tot redding van zijn huis de ark gebouwd; waardoor hij de wereld veroordeelde, en deelachtig werd aan de gerechtigheid door het geloof.
8Вірою, покликаний Авраам, послухав, щоб вийти на те місце, котре мав прийняти в наслїддє, і вийшов, не знаючи, куди йде.
8Door het geloof ging Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam uit naar de plaats, die hij tot erfdeel zou ontvangen; hij vertrok. zonder te weten, waarheen hij ging.
9Вірою оселивсь у землї обітуваній, яко чужій, живучи в наметах, з Ісааком і Яковом, спільними наслїдниками того ж обітування.
9Door het geloof vestigde hij zich in het land der beloften als in den vreemde, en woonde daar in tenten tezamen met Isaäk en Jakob, de medeërfgenamen derzelfde belofte;
10Дожидав бо города, що має основини, котрого будівничий і творець Бог.
10want hij wachtte op de stad met grondslagen, wier kunstenaar en bouwheer God is.
11Вірою і сама Сарра прийняла силу на зачаттє насїння і мимо пори віку вродила, тим що вірним уважала Того, хто обітував.
11Door het geloof heeft zelfs Sara, en nog wel boven de bepaalde leeftijd, de kracht tot zwangerschap ontvangen, omdat ze Hem, die het beloofd had, voor getrouw heeft gehouden.
12Тим же і від одного, та ще помертвілого, народилось множество, як зорі небесні і як піску край моря безлїч.
12Daarom ook is uit één man, en nog wel uit een, die afgeleefd was, een geslacht ontsproten, talrijk als de sterren aan de hemel en als het ontelbare zand aan het strand van de zee.
13По вірі померли ті всї, не прийнявши обітниць, а оддалеки видївши їх, і вірували, і витали, і визнавали, що вони чуженицї і захожі на землї.
13In het geloof zijn ze allen gestorven, zonder het beloofde te hebben ontvangen; maar ze hebben het slechts gezien en begroet uit de verte, en beleden, dat ze vreemdelingen zijn en zwervelingen op aarde.
14Бо которі таке говорять, виявляють, що отчини шукають.
14Waarlijk, die zó iets zeggen, tonen wel degelijk, op zoek te zijn naar een vaderland.
15І справдї, коли б ту памятали, з якої вийшли, мали б вони нагоду вернутись.
15En zo ze daarbij gedacht hadden aan het land, dat ze waren uitgetrokken, dan hadden ze tijd genoeg gehad, om daarheen terug te keren;
16Нинї ж луччої бажають, се єсть небесної; тим і не соромить ся їх Бог, називати ся Богом їх: наготовив бо їм город.
16maar feitelijk hebben ze naar een beter gesmacht, naar het hemelse. Daarom schaamt God Zich niet, hun God te worden genoemd; want Hij heeft voor hen een stad bereid.
17Вірою привів Авраам, спокушуваний, Ісаака (на жертву); єдинородного принїс, прийнявши обітницю,
17Door het geloof heeft Abraham, toen hij op de proef werd gesteld, Isaäk opgeofferd en zijn ééngeborene opgedragen,
18про котрого було глаголано: „Що в Ісааку назветь ся тобі насїннє,‟
18ofschoon hij de belofte had ontvangen, en tot hem was gezegd: “In Isaäk zal uw naam worden voortgeplant.”
19подумавши, що і з мертвих силен Бог воскресити; тим і прийняв його в образї (воскресення).
19Want hij was overtuigd, dat God machtig was, hem op te wekken zelfs uit de doden; vanwaar hij hem dan ook, om zo te zeggen, terug heeft ontvangen.
20Вірою в грядуще благословив Ісаак Якова та Ісава.
20Door het geloof heeft Isaäk een zegening uitgesproken over Jakob en Esau, zelfs met betrekking tot de toekomstige dingen.
21Вірою Яков, умираючи, благословив кожного сина Йосифого і „склонивсь на верх жезла свого‟.
21Door het geloof heeft de stervende Jakob beide zonen van Josef gezegend, en bad hij, steunend op de knop van zijn staf.
22Вірою Йосиф, умираючи, про виход синів Ізраїлевих згадав, а про костї свої заповів.
22Door het geloof heeft Josef bij zijn sterven nog aan de uittocht der zonen Israëls gedacht, en bevelen gegeven met betrekking tot zijn gebeente.
23Вірою Мойсей, народившись, хований був три місяцї від батьків своїх, коли видїли вони, що дитина гарна, і не злякались повелїння царського.
23Door het geloof werd Moses na zijn geboorte drie maanden lang door zijn ouders verborgen, daar ze zagen, “dat het knaapje schoon was;” en ze hebben het bevel van den koning niet gevreesd.
24Вірою Мойсей, бувши великим, відрік ся звати ся сином дочки Фараонової,
24Door het geloof heeft Moses, toen hij groot was geworden, geweigerd, den zoon van Fárao’s dochter te heten,
25а лучче зволив страдати з людьми Божими, нїж дізнавати дочасної розкоші гріха,
25en wilde hij liever smaad lijden met Gods volk dan een vergankelijk voordeel trekken uit de zonde;
26більшим багацтвом над Єгипецькі скарби вважаючи наругу Христову; озиравсь бо на нагороду.
26hij stelde de smaad van Christus boven de schatten van Egypte, want hij hield het oog op de beloning gevestigd.
27Вірою покинув Єгипет, не боячись гнїва царевого; устояв бо, яко такий, що Невидомого видить.
27Door het geloof verliet hij Egypte zonder de toorn van den koning te vrezen; want hij stond pal, daar hij als het ware den Onzichtbare had gezien.
28Вірою зробив пасху і пролиттє крови, щоб губитель первороджених не займав їх.
28Door het geloof heeft hij het Pascha verordend en het bestrijken met bloed, opdat de verderver hun eerstgeborenen niet zou treffen.
29Вірою перейшли вони Червоне море, як по суходолу; що спробувавши Єгиптяне, потопились.
29Door het geloof zijn ze de Rode Zee doorgetrokken als door het droge; toen de Egyptenaren het beproefden, verdronken ze.
30Вірою стїни Єрихонські попадали, після семидневних обходин.
30Door het geloof vielen de muren van Jéricho om na een rondgang van zeven dagen.
31Вірою Раава блудниця не згинула з невірними, прийнявши підглядників з миром.
31Door het geloof kwam de ontuchtige Rachab niet met de ongehoorzamen om, daar ze de verspieders in vrede ontving.
32І що менї ще казати? не стане бо менї часу оповідати про Гедеона, та Варака, та Самсона, та Єтая, та про Давида і Самуїла, та про пророків,
32En wat zal ik nog zeggen? De tijd zou me ontbreken, zo ik verhalen ging van Gédeon, Barak, Samson, Jefte, David, Samuël en de Profeten.
33котрі вірою побивали царства, робили правду, одержували обітування, загороджували пащі левам,
33Door het geloof hebben ze koninkrijken overweldigd, gerechtigheid uitgeoefend, beloften zien vervullen, leeuwenmuilen gestopt;
34гасили силу огняну, втїкали від гострого меча, робились потужними від немочи, бували міцні в бою, обертали в ростїч полки чужоземцїв;
34hebben ze het geweld van het vuur geblust, de scherpte van het zwaard kunnen ontgaan, nieuwe krachten na zwakheid bekomen, sterkte ontvangen in de strijd, heirscharen van vreemden doen wijken.
35жінки приймали мертвих своїх з воскресення; инші ж побиті бували, не прийнявши збавлення, щоб лучче воскресеннє одержати;
35Vrouwen ontvingen haar doden door opstanding terug. Anderen lieten zich folteren en namen de vrijspraak niet aan, om een betere opstanding te bekomen.
36другі ж наруги та ран дізнали, та ще й кайдан і темницї;
36Anderen weer leden bespotting en geseling, boeien zelfs en gevangenis;
37каміннєм побиті бували, розпилювані, допитувані, смертю від меча вмирали, тинялись в овечих та козиних шкурах, бідуючи, горюючи, мучені,
37ze werden gestenigd, door midden gezaagd, op de pijnbank beproefd, door het moordend zwaard gedood. Ze zwierven rond in schapenvachten en geitenvellen, verlaten, verdrukt en mishandeld:
38(котрих не був достоєн сьвіт,) по пустинях скитались та по горах та по вертепах і проваллях земних:
38de wereld was hunner niet waardig; dus doolden ze rond in woestijnen en bergen, spelonken en holen.
39І всї цї, одержавши сьвідченнє вірою, не прийняли обітування,
39En toch heeft geen van hen de belofte in vervulling zien gaan. ofschoon ze om hun geloof met ere worden vermeld.
40тим що Бог лучче щось про нас провидїв, щоб не без нас осягли звершеннє.
40Want daar God voor ons iets beters beschikt had, mochten zij niet zonder ons tot verheerlijking komen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.