Hebroj
Chapter 11
Londona Biblio (Esperant…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Kaj la fido estas realigo de esperataĵoj, provado de aferoj ne vidataj.
1Het geloof is een vaste grond voor wat men hoopt; een overtuiging over dingen, die men niet ziet.
2Ĉar per tio la antikvuloj ricevis bonan ateston.
2Om het geloof zijn de Ouden met ere vermeld;
3Per la fido ni komprenas, ke la mondaĝoj estas kreitaj per vorto de Dio, tiel ke tio, kio estas vidata, ne estas farita el aperantaĵoj.
3hierdoor ook erkennen we, dat de wereld door Gods Woord is geschapen, dat het zichtbare uit het Onzichtbare is ontstaan.
4Per la fido Habel oferis al Dio pli bonan oferon ol Kain, per kio li ricevis ateston, ke li estas justa, ĉar Dio atestis pri liaj donacoj; kaj per ĝi li, mortinte, ankoraŭ parolas.
4Door het geloof heeft Abel meer dan Kaïn aan God een voortreffelijk offer gebracht. Daardoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig was; want om zijn gave heeft God zelf dit betuigd. Door het geloof spreekt hij ook nog na zijn dood.
5Per la fido Ĥanoĥ estis transportita, por ne vidi morton; kaj li ne estis trovata, ĉar Dio lin transportis; ĉar antaŭ lia transporto estis atestite pri li, ke li plaĉis al Dio;
5Door het geloof werd Henok opgenomen, zodat hij de dood niet heeft gezien; hij werd niet meer gevonden, omdat God hem opgenomen had. Want voordat hij opgenomen werd, is van hem getuigd, dat hij welgevallig was aan God.
6kaj sen fido neeble estas plaĉi al Li; ĉar necese estas, ke tiu, kiu alvenas al Dio, kredu, ke Li ekzistas, kaj ke Li fariĝas rekompencanto al tiuj, kiuj Lin diligente serĉas.
6Welnu, zonder geloof is het onmogelijk, welgevallig te zijn; want wie tot God wil naderen, moet geloven, dat Hij bestaat, en Beloner is voor hen, die Hem zoeken.
7Per la fido Noa, avertite pri la ankoraŭ ne viditaj aferoj, kun pia timo konstruis arkeon por la savado de sia domo; per kio li kondamnis la mondon, kaj fariĝis heredanto de la justeco laŭ fido.
7Door het geloof heeft Noë, toen hem geopenbaard werd, wat nog niet was te zien, dit ter harte genomen, en tot redding van zijn huis de ark gebouwd; waardoor hij de wereld veroordeelde, en deelachtig werd aan de gerechtigheid door het geloof.
8Per la fido Abraham, vokite, obeis eliri en lokon, kiun li estis ricevonta kiel heredaĵon; kaj li eliris, ne sciante, kien li iras.
8Door het geloof ging Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam uit naar de plaats, die hij tot erfdeel zou ontvangen; hij vertrok. zonder te weten, waarheen hij ging.
9Per la fido li fariĝis pasloĝanto en la lando de la promeso, kiel lando fremda, loĝante en tendoj kun Isaak kaj Jakob, kunheredantoj de la sama promeso;
9Door het geloof vestigde hij zich in het land der beloften als in den vreemde, en woonde daar in tenten tezamen met Isaäk en Jakob, de medeërfgenamen derzelfde belofte;
10ĉar li serĉis la urbon havantan la fundamentojn, kies arĥitekturisto kaj konstruanto estas Dio.
10want hij wachtte op de stad met grondslagen, wier kunstenaar en bouwheer God is.
11Per la fido ankaŭ Sara mem ricevis kapablon gravediĝi, eĉ post la ordinara aĝo, ĉar ŝi kredis la Promesinton fidela;
11Door het geloof heeft zelfs Sara, en nog wel boven de bepaalde leeftijd, de kracht tot zwangerschap ontvangen, omdat ze Hem, die het beloofd had, voor getrouw heeft gehouden.
12sekve ankaŭ el unu, kaj tiu kvazaŭ malviva, leviĝis tiel multaj, kiel la steloj de la ĉielo laŭnombre, kaj kiel la sablo, kiu estas sur la bordo de la maro, nekalkulebla.
12Daarom ook is uit één man, en nog wel uit een, die afgeleefd was, een geslacht ontsproten, talrijk als de sterren aan de hemel en als het ontelbare zand aan het strand van de zee.
13Ĉiuj tiuj mortis en fido, ne ricevinte la promesojn, sed vidinte kaj salutinte ilin de malproksime, kaj konfesinte, ke ili estas fremduloj kaj migrantoj sur la tero.
13In het geloof zijn ze allen gestorven, zonder het beloofde te hebben ontvangen; maar ze hebben het slechts gezien en begroet uit de verte, en beleden, dat ze vreemdelingen zijn en zwervelingen op aarde.
14Ĉar tiuj, kiuj parolas tiamaniere, konstatas, ke patrolandon ili serĉas.
14Waarlijk, die zó iets zeggen, tonen wel degelijk, op zoek te zijn naar een vaderland.
15Kaj se ili tenadus en memoro tiun landon, el kiu ili eliris, ili havus ian okazon por reiri.
15En zo ze daarbij gedacht hadden aan het land, dat ze waren uitgetrokken, dan hadden ze tijd genoeg gehad, om daarheen terug te keren;
16Sed nun pli bonan landon ili celas, tio estas, ĉielan; tial Dio ne hontas pri ili, esti nomata ilia Dio; ĉar Li por ili pretigis urbon.
16maar feitelijk hebben ze naar een beter gesmacht, naar het hemelse. Daarom schaamt God Zich niet, hun God te worden genoemd; want Hij heeft voor hen een stad bereid.
17Per la fido Abraham, provate, oferis Isaakon; tiu, kiu akceptis la promesojn, ekoferis ja sian solenaskiton;
17Door het geloof heeft Abraham, toen hij op de proef werd gesteld, Isaäk opgeofferd en zijn ééngeborene opgedragen,
18nome tiu, al kiu estis dirite: Per Isaak oni nomos vian idaron;
18ofschoon hij de belofte had ontvangen, en tot hem was gezegd: “In Isaäk zal uw naam worden voortgeplant.”
19pensante, ke Dio povas relevi lin eĉ el la mortintoj; el kie ankaŭ li en similaĵo lin retrovis.
19Want hij was overtuigd, dat God machtig was, hem op te wekken zelfs uit de doden; vanwaar hij hem dan ook, om zo te zeggen, terug heeft ontvangen.
20Per la fido Isaak benis Jakobon kaj Esavon pri estontaj aferoj.
20Door het geloof heeft Isaäk een zegening uitgesproken over Jakob en Esau, zelfs met betrekking tot de toekomstige dingen.
21Per la fido Jakob, mortante, benis ĉiun el la filoj de Jozef, kaj adorkliniĝis sur la supro de sia bastono.
21Door het geloof heeft de stervende Jakob beide zonen van Josef gezegend, en bad hij, steunend op de knop van zijn staf.
22Per la fido Jozef, ĉe la fino de sia vivo, aludis la foriron de la Izraelidoj, kaj pri siaj ostoj ordonis.
22Door het geloof heeft Josef bij zijn sterven nog aan de uittocht der zonen Israëls gedacht, en bevelen gegeven met betrekking tot zijn gebeente.
23Per la fido Moseo, naskiĝinte, estis kaŝata tri monatojn de la gepatroj, ĉar ili vidis la infaneton belega, kaj ne timis la dekreton de la reĝo.
23Door het geloof werd Moses na zijn geboorte drie maanden lang door zijn ouders verborgen, daar ze zagen, “dat het knaapje schoon was;” en ze hebben het bevel van den koning niet gevreesd.
24Per la fido Moseo, plenkreskinte, rifuzis esti nomata filo de filino de Faraono,
24Door het geloof heeft Moses, toen hij groot was geworden, geweigerd, den zoon van Fárao’s dochter te heten,
25plivole elektante kunsuferi kun la popolo de Dio, ol havi la kelktempan ĝuadon de peko,
25en wilde hij liever smaad lijden met Gods volk dan een vergankelijk voordeel trekken uit de zonde;
26taksante la riproĉon de Kristo pligranda riĉeco ol la trezoroj Egiptaj, ĉar li rigardis al la estonta rekompenco.
26hij stelde de smaad van Christus boven de schatten van Egypte, want hij hield het oog op de beloning gevestigd.
27Per la fido li forlasis Egiptujon, ne timante la koleregon de la reĝo; ĉar li persistis, kiel vidante Tiun, kiu ne estas videbla.
27Door het geloof verliet hij Egypte zonder de toorn van den koning te vrezen; want hij stond pal, daar hij als het ware den Onzichtbare had gezien.
28Per la fido li observis la Paskon kaj la sangaspergon, por ke la ekstermanto de la unuenaskitoj ne tuŝu ilin.
28Door het geloof heeft hij het Pascha verordend en het bestrijken met bloed, opdat de verderver hun eerstgeborenen niet zou treffen.
29Per la fido li trapasis la Ruĝan Maron kvazaŭ sekteron, kion fari penante, la Egiptoj dronis.
29Door het geloof zijn ze de Rode Zee doorgetrokken als door het droge; toen de Egyptenaren het beproefden, verdronken ze.
30Per la fido la muroj de Jeriĥo falis, ĉirkaŭirite sep tagojn.
30Door het geloof vielen de muren van Jéricho om na een rondgang van zeven dagen.
31Per la fido la malĉastistino Raĥab ne pereis kun la nekredantoj, akceptinte la spionojn kun paco.
31Door het geloof kwam de ontuchtige Rachab niet met de ongehoorzamen om, daar ze de verspieders in vrede ontving.
32Kaj kion mi diru plu? ĉar mankus al mi tempo por rakonti pri Gideon kaj Barak kaj Ŝimŝon kaj Jiftaĥ kaj David kaj Samuel kaj la profetoj;
32En wat zal ik nog zeggen? De tijd zou me ontbreken, zo ik verhalen ging van Gédeon, Barak, Samson, Jefte, David, Samuël en de Profeten.
33kiuj pere de fido venkis regnojn, plenumis justecon, atingis promesojn, fermis la buŝojn de leonoj,
33Door het geloof hebben ze koninkrijken overweldigd, gerechtigheid uitgeoefend, beloften zien vervullen, leeuwenmuilen gestopt;
34estingis la forton de fajro, forsaviĝis de la tranĉrando de glavo, el malforteco refortiĝis, fariĝis potencaj en militado, forkurigis armeojn de fremduloj.
34hebben ze het geweld van het vuur geblust, de scherpte van het zwaard kunnen ontgaan, nieuwe krachten na zwakheid bekomen, sterkte ontvangen in de strijd, heirscharen van vreemden doen wijken.
35Virinoj rericevis siajn mortintojn per revivigo; kaj aliaj suferis turmentadon, ne akceptante liberigon, por atingi pli bonan releviĝon;
35Vrouwen ontvingen haar doden door opstanding terug. Anderen lieten zich folteren en namen de vrijspraak niet aan, om een betere opstanding te bekomen.
36kaj aliaj elproviĝis per mokado kaj skurĝado kaj ankaŭ de katenoj kaj malliberiĝo;
36Anderen weer leden bespotting en geseling, boeien zelfs en gevangenis;
37ili estis ŝtonmortigataj, dissegataj, tentataj; per glavo ili estis mortigitaj; ili ĉirkaŭvagis en ŝafaj kaj kapraj feloj, senigite, subpremate, dolorigate
37ze werden gestenigd, door midden gezaagd, op de pijnbank beproefd, door het moordend zwaard gedood. Ze zwierven rond in schapenvachten en geitenvellen, verlaten, verdrukt en mishandeld:
38(je kiuj la mondo ne estis inda); ili vagadis en dezertoj, sur montoj, en kavernoj kaj kaŝejoj de la tero.
38de wereld was hunner niet waardig; dus doolden ze rond in woestijnen en bergen, spelonken en holen.
39Kaj ĉiuj tiuj, ricevinte bonan ateston per sia fido, ne ricevis la promeson,
39En toch heeft geen van hen de belofte in vervulling zien gaan. ofschoon ze om hun geloof met ere worden vermeld.
40ĉar Dio antaŭvidis por ni ion pli bonan, por ke ili sen ni ne estu perfektigataj.
40Want daar God voor ons iets beters beschikt had, mochten zij niet zonder ons tot verheerlijking komen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.