Hebreus 12
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Portanto, nós também, visto que estamos rodeados por tão grande nuvem de testemunhas, deixemos de lado todo peso e o pecado que tão facilmente nos enreda, e corramos com perseverança a corrida que está diante de nós,
1Welnu dan, omringd van zulk een wolk van getuigen, laat ons iedere belemmering en hinder van zonde wegwerpen van ons, en dan met volharding de wedloop beginnen, die voor ons ligt;
2olhando para Jesus, o autor e consumador da fé, o qual, por causa da alegria que estava diante dele, suportou a cruz, desprezando a vergonha, e assentou-se à direita do trono de Deus.
2het oog gevestigd op Jesus, aanvang en einde van het geloof. Hij heeft in plaats van de vreugde, die Hem toekwam, een kruis op Zich genomen, en de schande niet geacht; maar is dan ook gezeten ter rechterzijde van Gods troon.
3Pois considerem aquele que suportou tamanha oposição dos pecadores contra si mesmo, para que vocês não se cansem nem desfaleçam interiormente.
3Houdt Hem toch voor ogen, die van de zondaars zulk een tegenspraak heeft verduurd, opdat gij niet uitgeput raakt en de zielskracht verliest.
4Vocês ainda não resistiram até derramar sangue na luta contra o pecado.
4Nog hebt gij niet ten bloede toe weerstand geboden in de strijd tegen de zonde;
5E vocês se esqueceram da exortação que lhes fala como a filhos: “Meu filho, não menospreze a disciplina do Senhor, nem desanime quando for repreendido por ele;
5en zijt gij dan reeds de vermaning vergeten, die u als zonen toespreekt: Mijn zoon, verwerp de kastijding des Heren niet, En wees niet ontmoedigd, zo ge door Hem wordt bestraft.
6pois o Senhor disciplina a quem ama, e castiga a todo filho a quem recebe.”
6Want de Heer kastijdt dien Hij bemint, Tuchtigt elken zoon, dien Hij liefheeft.
7É para a disciplina que vocês perseveram. Deus os trata como a filhos; pois, qual é o filho a quem o pai não disciplina?
7Verdraag het dus als een kastijding; God behandelt u als zonen. Want is er wel een zoon, die door zijn vader niet wordt gekastijd?
8Mas, se vocês estão sem disciplina, da qual todos são participantes, então vocês são ilegítimos, e não filhos.
8Zo gij dus zonder kastijding zoudt wezen, waarvan allen hun deel krijgen, dan waart gij bastaards en geen zonen.
9Além disso, tínhamos nossos pais terrenos para nos disciplinar, e nós os respeitávamos. Não deveríamos nos sujeitar muito mais ao Pai dos espíritos e viver?
9Bovendien, we hebben vaders naar het vlees gehad, die ons kastijdden, en we kwamen tot inkeer; zullen we ons dan niet veel meer onderwerpen aan den Vader der geesten, en leven?
10Pois eles, de fato, por alguns dias nos disciplinavam como lhes parecia bem, mas ele nos disciplina para o nosso bem, para que sejamos participantes da sua santidade.
10Zij toch hebben ons gekastijd ter wille van enkele dagen en naar het hun goeddacht; maar Hij doet het tot ons nut, opdat we zijn heiligheid deelachtig worden.
11Toda disciplina parece, no momento, não ser motivo de alegria, mas de tristeza; no entanto, mais tarde, produz o fruto pacífico da justiça para aqueles que foram treinados por ela.
11Elke kastijding schijnt op het ogenblik zelf geen reden tot vreugde, maar reden tot droefheid; later echter draagt ze hun, die er door geoefend zijn, een vredevrucht der gerechtigheid.
12Portanto, ergam as mãos caídas e os joelhos vacilantes,
12Richt op dus de slappe handen en knikkende knieën!
13e façam caminhos retos para os seus pés, para que o que é manco não se desloque, mas antes seja curado.
13Maakt rechte sporen met uw voeten, opdat het kreupele niet wordt ontwricht, maar genezen veeleer!
14Busquem a paz com todos, e a santificação, sem a qual ninguém verá o Senhor,
14Streeft naar vrede met allen; ook naar heiligheid, zonder welke niemand den Heer zal zien.
15Cuidem atentamente para que ninguém fique privado da graça de Deus e para que nenhuma raiz de amargura, ao brotar, cause perturbação e contamine muitos,
15Zorgt er voor, dat niemand Gods genade verwaarloost; dat er geen wortel van bitterheid opschiet, anderen in de weg staat, en velen aansteekt;
16para que não haja nenhum imoral ou profano, como Esaú, que por uma única refeição vendeu o seu direito de primogenitura.
16dat niemand ontuchtig is, of onverschillig als Esau, die voor één enkele spijs zijn eerstgeboorterecht verkocht.
17Pois vocês sabem que, mesmo quando depois desejou herdar a bênção, ele foi rejeitado, pois não encontrou oportunidade para uma mudança de decisão, embora a tenha buscado diligentemente com lágrimas.
17Gij weet toch, dat toen hij later de zegen wilde erven, hij afgewezen werd; want hij vond geen mogelijkheid, de gezindheid van zijn vader te veranderen, hoewel hij het onder tranen beproefde.
18Pois vocês não chegaram a um monte que pudesse ser tocado e que ardia em fogo, nem à escuridão, às trevas, à tempestade,
18Inderdaad, gij zijt niet toegetreden tot een tastbare berg, niet tot brandend vuur, duisternis, donkere wolk, storm,
19ao som de uma trombeta e à voz de palavras; a qual os que a ouviram suplicaram que não lhes fosse dita nem mais uma palavra,
19bazuingeschal; niet tot daverende woorden, waarvan de hoorders bezwoeren, dat er geen woord meer bij mocht komen,
20pois não podiam suportar o que lhes era ordenado: “Se até mesmo um animal tocar no monte, será apedrejado”.
20omdat het bevel hun te machtig was: “Zelfs als een dier de berg aanraakt, moet het gestenigd worden.”
21Tão terrível era a aparência que Moisés disse: “Estou aterrorizado e tremendo.”
21En zó ontzettend was de verschijning, dat Moses uitriep: “Ik beef en sidder van angst.”
22Mas vocês chegaram ao monte Sião e à cidade do Deus vivo, a Jerusalém celestial, e a inumeráveis multidões de anjos,
22Neen, gij zijt toegetreden tot de berg Sion en de Stad van den levenden God, het hemels Jerusalem; tot de tienduizenden engelen, tot de feestvergadering,
23à reunião festiva e à assembleia dos primogênitos que estão inscritos nos céus, a Deus, o Juiz de todos, aos espíritos dos justos aperfeiçoados,
23tot de gemeente der eerstgeborenen, opgeschreven in de hemel; tot God den Rechter van allen; tot de geesten der rechtvaardigen, die hun voleinding hebben bereikt;
24a Jesus, o mediador de uma nova aliança, e ao sangue da aspersão, que fala melhor do que o de Abel.
24tot Jesus den Middelaar van het nieuwe Verbond, tot het Bloed der besprenkeling, dat iets beters afroept dan Abels bloed.
25Tenham cuidado para não recusar aquele que fala. Pois, se não escaparam aqueles que recusaram quem os advertia na terra, muito menos escaparemos nós, se nos desviarmos daquele que nos adverte dos céus,
25Zorgt er voor, dat gij Hem niet afwijst, die roept! Want wanneer zij niet ontkwamen, die Hem afwezen, toen Hij op aarde sprak, hoeveel minder wij, zo we ons afkeren van Hem, die uit de hemelen spreekt,
26cuja voz abalou a terra naquela época, mas agora ele prometeu, dizendo: “Ainda mais uma vez abalarei não apenas a terra, mas também os céus.”
26wiens stem eertijds de aarde deed sidderen, maar die nu heeft verkondigd: “Nog eenmaal zal Ik doen beven Niet slechts de aarde, maar ook de hemel.”
27Esta frase, “Ainda mais uma vez”, significa a remoção das coisas que são abaladas, por serem coisas criadas, para que permaneçam aquelas que não são abaladas.
27Welnu, dit “Nog eenmaal” wijst op de omverwerping van wat als schepsel vergankelijk is, opdat dan het onvergankelijke blijft bestaan.
28Portanto, recebendo um Reino que não pode ser abalado, retenhamos a graça, pela qual servimos a Deus de modo aceitável, com reverência e temor,
28Wij dus, die een onvergankelijk koninkrijk hebben ontvangen, we moeten vasthouden aan de genade, en daardoor God dienen, zoals het Hem welgevallig is: in vrome eerbied en ontzag.
29pois o nosso Deus é um fogo consumidor.
29Want onze God is een verterend vuur!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.