Job
Chapter 11
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Job 11

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Respondens autem Sophar Naamathites, dixit:
1Daarop nam Sofar van Naäma het woord, en sprak:
2[Numquid qui multa loquitur, non et audiet? aut vir verbosus justificabitur?
2Zo’n praatvaar zou onbeantwoord blijven, Zo’n held met de lippen in het gelijk gesteld;
3Tibi soli tacebunt homines? et cum ceteros irriseris, a nullo confutaberis?
3Uw zwetsen zou anderen tot zwijgen brengen, Uw onzinnig gebrabbel door niemand worden beschaamd?
4Dixisti enim: Purus est sermo meus, et mundus sum in conspectu tuo.
4Gij zegt tot God: Mijn wandel is rein, Ik ben onberispelijk in uw oog!
5Atque utinam Deus loqueretur tecum, et aperiret labia sua tibi,
5Wilde God maar eens spreken, Zijn lippen tegen u openen,
6ut ostenderet tibi secreta sapientiæ, et quod multiplex esset lex ejus: et intelligeres quod multo minora exigaris ab eo quam meretur iniquitas tua !
6U de geheimen der Wijsheid ontvouwen, Die zo moeilijk zijn te verstaan: Dan zoudt ge erkennen, dat God van u eist, Wat uw misdaad verdient.
7Forsitan vestigia Dei comprehendes, et usque ad perfectum Omnipotentem reperies?
7Zoudt ge de diepten Gods kunnen peilen, De alwetendheid van den Almachtige doorgronden?
8Excelsior cælo est, et quid facies? profundior inferno, et unde cognosces?
8Zij is hoger nog dan de hemelen: Wat kunt ge beginnen; Dieper nog dan de onderwereld: Wat kunt ge begrijpen;
9Longior terra mensura ejus, et latior mari.
9Haar meetsnoer is langer dan de aarde, En breder nog dan de zee!
10Si subverterit omnia, vel in unum coarctaverit, quis contradicet ei?
10Als hij iets laat passeren, het verborgen houdt, Of het ruchtbaar maakt: wie zal Hem weerhouden?
11Ipse enim novit hominum vanitatem; et videns iniquitatem, nonne considerat?
11Want Hij doorschouwt de bedriegelijke mensen; Hij kent het kwaad, het ontgaat Hem niet!
12Vir vanus in superbiam erigitur, et tamquam pullum onagri se liberum natum putat.
12Maar een leeghoofd zal dit eerst begrijpen, Als het jong van een ezel een mensenkind wordt!
13Tu autem firmasti cor tuum, et expandisti ad eum manus tuas.
13Maar wanneer gij er acht op wilt slaan, En tot Hem uw handen verheft,
14Si iniquitatem quæ est in manu tua abstuleris a te, et non manserit in tabernaculo tuo injustitia,
14De misdaad uit uw hand verwijdert, En in uw tenten geen onrecht laat wonen:
15tunc levare poteris faciem tuam absque macula; et eris stabilis, et non timebis.
15Dan heft ge smetteloos het hoofd omhoog, Dan staat ge vast, en behoeft niet te vrezen.
16Miseriæ quoque oblivisceris, et quasi aquarum quæ præterierunt recordaberis.
16Ja, dan zult ge de ellende vergeten, Er aan denken als aan water, dat voorbij is gestroomd;
17Et quasi meridianus fulgor consurget tibi ad vesperam; et cum te consumptum putaveris, orieris ut lucifer.
17Dan rijst uw leven klaarder nog dan de middag, En uw duisternis zal als de morgen zijn;
18Et habebis fiduciam, proposita tibi spe: et defossus securus dormies.
18Dan zult ge vertrouwen, Want er is weer hoop! Dan gaat ge weer slapen onder veilige hoede,
19Requiesces, et non erit qui te exterreat; et deprecabuntur faciem tuam plurimi.
19Dan legt ge u neer, en schrikt niemand u op; Dan dingen velen naar uw gunst,
20Oculi autem impiorum deficient, et effugium peribit ab eis: et spes illorum abominatio animæ.]
20Terwijl de ogen der bozen versmachten: Want die blijven van iedere toevlucht verstoken, Hun enige hoop is hun laatste zucht!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.