Job 9
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Et respondens Job, ait:
1Job antwoordde, en sprak:
2[Vere scio quod ita sit, et quod non justificetur homo compositus Deo.
2Zeker, ik weet wel, dat het zo is; Maar hoe kan een mens tegenover God in zijn recht zijn?
3Si voluerit contendere cum eo, non poterit ei respondere unum pro mille.
3Wanneer hij Hem ter verantwoording wil roepen, Geeft Hij niet eens op de duizendmaal antwoord;
4Sapiens corde est, et fortis robore: quis restitit ei, et pacem habuit?
4Wie heeft den Alwijze en den Almachtige Ooit ongedeerd getrotseerd?
5Qui transtulit montes, et nescierunt hi quos subvertit in furore suo.
5Hem, die bergen verzet, en ze merken het niet, Ze onderstboven keert in zijn toorn;
6Qui commovet terram de loco suo, et columnæ ejus concutiuntur.
6Die de aarde op haar plaats doet schudden, Haar zuilen trillen ervan;
7Qui præcipit soli, et non oritur, et stellas claudit quasi sub signaculo.
7Die de zon bevel geeft, niet te stralen, En de sterren onder een zegel legt!
8Qui extendit cælos solus, et graditur super fluctus maris.
8Die de hemel uitspant, Hij alleen, En voortschrijdt over de golven der zee;
9Qui facit Arcturum et Oriona, et Hyadas et interiora austri.
9Die Grote Beer en Orion schiep, Plejaden en het Zuiderkruis;
10Qui facit magna, et incomprehensibilia, et mirabilia, quorum non est numerus.
10Die grootse, ondoorgrondelijke dingen wrocht, En talloze wonderen!
11Si venerit ad me, non videbo eum; si abierit, non intelligam.
11Zie, Hij gaat mij voorbij, en ik zie het niet, Hij glijdt langs mij heen, ik bemerk het niet;
12Si repente interroget, quis respondebit ei? vel quis dicere potest: Cur ita facis?
12Rooft Hij: Wie zal Hem weerhouden? Wie Hem zeggen: Wat doet Gij?
13Deus, cujus iræ nemo resistere potest, et sub quo curvantur qui portant orbem.
13God, die zijn gramschap niet weerhoudt: Zelfs Ráhabs helpers moesten zich onder Hem krommen!
14Quantus ergo sum ego, ut respondeam ei, et loquar verbis meis cum eo?
14Hoe zou ik Hem dan ter verantwoording roepen, Mijn woorden tegenover Hem vinden?
15qui etiam si habuero quippiam justum, non respondebo: sed meum judicem deprecabor.
15Ik, die geen antwoord krijg, al heb ik ook recht, Maar mijn Rechter om genade moet smeken;
16Et cum invocantem exaudierit me, non credo quod audierit vocem meam.
16En al gaf Hij mij antwoord, als ik riep, Dan geloof ik niet, dat Hij naar mij zou luisteren.
17In turbine enim conteret me, et multiplicabit vulnera mea, etiam sine causa.
17Hij, die mij vertrapt om een kleinigheid En mijn smarten vermeerdert om niet;
18Non concedit requiescere spiritum meum, et implet me amaritudinibus.
18Hij, die mij niet op adem laat komen, Maar mij met bitter wee overstelpt.
19Si fortitudo quæritur, robustissimus est; si æquitas judicii, nemo audet pro me testimonium dicere.
19Gaat het om kracht: Hij is er, de Sterke! Gaat het om recht: Wie klaagt Hem aan?
20Si justificare me voluero, os meum condemnabit me; si innocentem ostendero, pravum me comprobabit.
20Al had ik ook recht, zijn mond veroordeelde mij; Al was ik onschuldig, Hij verklaarde mij schuldig!
21Etiam si simplex fuero, hoc ipsum ignorabit anima mea, et tædebit me vitæ meæ.
21Ben ik onschuldig? Ik weet het zelf nu niet meer. Ik verfoei mijn bestaan: Het is mij allemaal één!
22Unum est quod locutus sum: et innocentem et impium ipse consumit.
22Maar daarom roep ik het uit: Onschuldigen en schuldigen slaat Hij neer!
23Si flagellat, occidat semel, et non de pœnis innocentum rideat.
23Wanneer zijn gesel plotseling doodt, Lacht Hij met de vertwijfeling van de onschuldigen;
24Terra data est in manus impii; vultum judicum ejus operit. Quod si non ille est, quis ergo est?
24Is het land aan bozen overgeleverd, Hij bindt nog een blinddoek op het gelaat van de rechters: Want zo Hij het niet doet, Wie doet het dan wel?
25Dies mei velociores fuerunt cursore; fugerunt, et non viderunt bonum.
25Zo vliegen mijn dagen voorbij, Sneller nog dan een ijlbode; Zo vluchten ze weg, Zonder geluk te aanschouwen;
26Pertransierunt quasi naves poma portantes; sicut aquila volans ad escam.
26Ze schieten heen als schepen van riet, Als een adelaar, die zich werpt op zijn prooi.
27Cum dixero: Nequaquam ita loquar: commuto faciem meam, et dolore torqueor.
27Denk ik, ik wil mijn jammer vergeten, Weer vrolijk schijnen en blij,
28Verebar omnia opera mea, sciens quod non parceres delinquenti.
28Dan ben ik weer bang voor al mijn smarten, Wetend, dat Gij mij niet voor onschuldig houdt.
29Si autem et sic impius sum, quare frustra laboravi?
29En wanneer ik dan toch schuldig moet zijn, Waarom doe ik mijn best, om niet?
30Si lotus fuero quasi aquis nivis, et fulserint velut mundissimæ manus meæ,
30Al was ik mij nog zo schoon met sneeuw, En reinig mijn handen met zeep,
31tamen sordibus intinges me, et abominabuntur me vestimenta mea.
31Toch ploft Gij mij neer in het vuil, Zodat mijn kleren van mij walgen.
32Neque enim viro qui similis mei est, respondebo; nec qui mecum in judicio ex æquo possit audiri.
32Neen, Gij zijt geen mens, zoals ik, dien ik ter verantwoording roep, Zodat wij te zamen voor de rechtbank verschijnen!
33Non est qui utrumque valeat arguere, et ponere manum suam in ambobus.
33Ach, mocht er een scheidsrechter tussen ons zijn, Die zijn hand op ons beiden kon leggen;
34Auferat a me virgam suam, et pavor ejus non me terreat.
34Die Gods roede van mij weg zou nemen, Zodat de schrik voor Hem mij niet deerde:
35Loquar, et non timebo eum; neque enim possum metuens respondere.]
35Dan zou ik spreken zonder Hem te vrezen; Maar nu er geen is, neem ik het op voor mijzelf!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.