Йова 9
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1І відповів Йов і сказав:
1Job antwoordde, en sprak:
2Правда! я знаю, що так; але як оправдаєсь чоловік перед Богом?
2Zeker, ik weet wel, dat het zo is; Maar hoe kan een mens tegenover God in zijn recht zijn?
3А хоч би схотїв стати з ним на прю, то з тисячі й на одно не зʼумів би одказати.
3Wanneer hij Hem ter verantwoording wil roepen, Geeft Hij niet eens op de duizendmaal antwoord;
4Він серцем премудрий і великий силою; хто проти його вставав та й бував зʼупокоєн?
4Wie heeft den Alwijze en den Almachtige Ooit ongedeerd getrotseerd?
5Він переносить гори й не пізнають їх; він перевертає їх в гнїву свойму;
5Hem, die bergen verzet, en ze merken het niet, Ze onderstboven keert in zijn toorn;
6Він рушає землю з її місця, і стовпи її колихаються;
6Die de aarde op haar plaats doet schudden, Haar zuilen trillen ervan;
7Скаже сонцеві, — і не зійде, й на звізди печать покладає.
7Die de zon bevel geeft, niet te stralen, En de sterren onder een zegel legt!
8Він самий напинає небеса й ходить по валах морських.
8Die de hemel uitspant, Hij alleen, En voortschrijdt over de golven der zee;
9Він і Ведмедя саздав, Орийон і Плеяди, й зорі скриті на полуднї;
9Die Grote Beer en Orion schiep, Plejaden en het Zuiderkruis;
10Творить великі дива, недовідні, безлїчні.
10Die grootse, ondoorgrondelijke dingen wrocht, En talloze wonderen!
11Ось, він перейде попри мене, й не побачу його; промайне, й не замічу його.
11Zie, Hij gaat mij voorbij, en ik zie het niet, Hij glijdt langs mij heen, ik bemerk het niet;
12Візьме, та хто заборонить йому? Хто скаже йому: що се ти робиш?
12Rooft Hij: Wie zal Hem weerhouden? Wie Hem zeggen: Wat doet Gij?
13Коли Бог не одверне гнїву свого, впадуть перед ним володарі горді;
13God, die zijn gramschap niet weerhoudt: Zelfs Ráhabs helpers moesten zich onder Hem krommen!
14Як же менї відказувати йому та прибірати слова проти його?
14Hoe zou ik Hem dan ter verantwoording roepen, Mijn woorden tegenover Hem vinden?
15Хоч би я й прав був, озиватись не буду, а вмоляти му суддю мого.
15Ik, die geen antwoord krijg, al heb ik ook recht, Maar mijn Rechter om genade moet smeken;
16Як би я покликнув, а він відповів менї, то я не поняв би віри, що мій голос вислухав той,
16En al gaf Hij mij antwoord, als ik riep, Dan geloof ik niet, dat Hij naar mij zou luisteren.
17Що в хуртовинї мене поражає, й без вини мої рани намножує,
17Hij, die mij vertrapt om een kleinigheid En mijn smarten vermeerdert om niet;
18Та не дає менї спокійно й відотхнути, а без міри годує мене горем.
18Hij, die mij niet op adem laat komen, Maar mij met bitter wee overstelpt.
19Коли питати про силу, то він один могучий; коли же про суд, та хто зведе мене з ним?
19Gaat het om kracht: Hij is er, de Sterke! Gaat het om recht: Wie klaagt Hem aan?
20Буду я оправдуватись, то самі мої уста обвинуватять мене; як я безвинний, то він вину в менї знайде.
20Al had ik ook recht, zijn mond veroordeelde mij; Al was ik onschuldig, Hij verklaarde mij schuldig!
21Так! я не винен; байдуже менї жити; нїзащо менї життє.
21Ben ik onschuldig? Ik weet het zelf nu niet meer. Ik verfoei mijn bestaan: Het is mij allemaal één!
22Все одно; тим то й сказав я, що він (як схоче) губить безвинного й беззаконного.
22Maar daarom roep ik het uit: Onschuldigen en schuldigen slaat Hij neer!
23Як того вбиває одразу бичем, то з муки невинних сміється.
23Wanneer zijn gesel plotseling doodt, Lacht Hij met de vertwijfeling van de onschuldigen;
24Земля оддана в руки безбожникам; він слїпить очі суддям її. А коли не він, то хто ж инший?
24Is het land aan bozen overgeleverd, Hij bindt nog een blinddoek op het gelaat van de rechters: Want zo Hij het niet doet, Wie doet het dan wel?
25Днї мої хутші од гонця, — мчаться, не бачивши долї;
25Zo vliegen mijn dagen voorbij, Sneller nog dan een ijlbode; Zo vluchten ze weg, Zonder geluk te aanschouwen;
26Мчаться, мов човни легкі, мов орел, що кидаєсь на здобич.
26Ze schieten heen als schepen van riet, Als een adelaar, die zich werpt op zijn prooi.
27Як я скажу собі: забуду жалощі мої, виясню мій хмурий вид, підбодрю моє серце,
27Denk ik, ik wil mijn jammer vergeten, Weer vrolijk schijnen en blij,
28То знов муки мої лякають мене, знаю бо, що не признаєш мене безвинним;
28Dan ben ik weer bang voor al mijn smarten, Wetend, dat Gij mij niet voor onschuldig houdt.
29А скоро я винуватий, так чого надармо й силкуватись?
29En wanneer ik dan toch schuldig moet zijn, Waarom doe ik mijn best, om niet?
30Хоч би я й снїгом обмивсь і найчистїйше очистив руки мої,
30Al was ik mij nog zo schoon met sneeuw, En reinig mijn handen met zeep,
31То й тодї ти трутиш мене в багно, та й одежа моя буде мною гидитись.
31Toch ploft Gij mij neer in het vuil, Zodat mijn kleren van mij walgen.
32Він бо не людина, як я, щоб я міг одповідати йому й йти вкупі з ним на суд!
32Neen, Gij zijt geen mens, zoals ik, dien ik ter verantwoording roep, Zodat wij te zamen voor de rechtbank verschijnen!
33І проміж нас нїякий посередник не стане, щоб положив руку на нас обох.
33Ach, mocht er een scheidsrechter tussen ons zijn, Die zijn hand op ons beiden kon leggen;
34Нехай же відверне він від мене бича свого, й страх його нехай не лякає мене, —
34Die Gods roede van mij weg zou nemen, Zodat de schrik voor Hem mij niet deerde:
35А тодї я говорити му й не збоюсь його, бо я сам собою не такий.
35Dan zou ik spreken zonder Hem te vrezen; Maar nu er geen is, neem ik het op voor mijzelf!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.